vrijdag, mei 27, 2016

Adieu Willige Dame




Het stemt altijd wat triest als er een einde komt aan iets moois en bijzonders. Bijzonder was de tijd dat schaaksociëteit De Willige Dame bijeenkwam in de beroemde, Dordtse poffertjessalon Visser. Een periode waaraan op 24 mei 2016 een einde kwam. De sociëteit besloot te vertrekken vanwege de gezondheidstoestand van de eigenaar van Visser, gastheer van De Willige Dame en veelvoudig clubkampioen Jaap Mol. Dat RTV-Dordt daaruit meteen maar de conclusie trok dat Visser de deuren gaat sluiten, is rijkelijk voorbarig. Visser is, in afwachting van komende veranderingen, gewoon open, zij het helaas alleen op donderdag, vrijdag en zaterdag. Ik heb er gistermiddag nog zeer genoeglijk op het terras gezeten.

Na het overlijden van Stella heb ik acht jaar lang bij De Willige Dame geschaakt. Een groot schaker ben ik niet. Ik heb het te druk, en ik ben ook gewoon te lui, om mij in de theorie te verdiepen, waardoor ik nooit een topniveau zal bereiken. Ik wil dat ook niet. Ik ben een gezelligheidsschaker en daarom voelde ik mij thuis bij De Willige Dame, waar een aantal topschakers uit de regio speelt, maar waar iemand als ik ook van harte welkom is. De sfeer op de speelavonden in Visser was altijd aangenaam. Er was geen sprake van fanatisme, als iemand een zet wilde terugnemen kon dat gewoon, als je tenminste de klok nog niet had ingedrukt. Altijd klonk er een aardig muziekje op de achtergrond en als iemand even een iets te luide opmerking maakte, stoof er niet direct een handvol geërgerde figuren op, die als katten sissend gebaarden dat het stil moest zijn, zoals ik dat in een ver verleden elders regelmatig meemaakte. De bar was altijd open, er waren pinda's (een bijzonderheid, want daar hoef je normaal gesproken bij Visser niet om te komen) en er was een tijd dat er gezellig werd gerookt. Dat werd op een gegeven ogenblik verboden. Een ernstig minpunt, vind ik nog steeds, want al heb ik zelf, op aandringen van mijn cardiologe, mijn pijpen met pensioen gestuurd, mijn hekel aan de fanatieke anti-rookmaffia is er niet minder op geworden.

Bijzonder is ook dat de externe teams van De Willige Dame ondanks die ontspannen sfeer geducht meetellen in de regionale en landelijke competities. De Willige Dame geeft met ingang van het nieuwe schaakseizoen gelegenheid in de Trinitatiskapel. Ik verhuis niet mee. Mijn belangstelling voor het spel is in de afgelopen jaren afgenomen en overgegaan op andere dingen, die te veel van mijn tijd vergen, maar ik wens De Willige Dame nog een lang en gelukkig tweede leven.

Foto: auteur





vrijdag, mei 20, 2016

Dolle Mol




Als we geen geld of tijd hadden voor Parijs, gingen we een dagje naar Brussel. Daar spreken ze tenslotte ook Frans, al is de stad officieel tweetalig. Met de trein ben je er vanaf Dordrecht al in een uur en drie kwartier. Brussel was voor ons vooral Mort Subite, Falstaff, Het Goudblommeke in Papier en uiteindelijk De Dolle Mol. Ons was verteld dat artistiek Brussel daar kwam. We hadden geen idee of dat klopte, artistiek Brussel was ons onbekend, maar de ober sprak Nederlands en er werd dezelfde soort muziek gedraaid als in Visser en De Vrijheid. Zonder de Mol was het uitje niet compleet.

Soms bezochten we een tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten. Dan regende het meestal. Op mijn maatje Thijs na, kon de vlooienmarkt ons niet bekoren. De gebouwen van de Europese Unie werkten deprimerend. Zoveel samengebalde wansmaak. Of het ooit wat zou worden met die Unie, betwijfelden we. Je kon aan de grens nog worden gecontroleerd of je niet te veel sigaretten en drank bij je had. Die waren in België goedkoper. Ik herinner mij een minister die in opspraak kwam omdat hij een kistje sigaren niet had aangegeven. Als de kakkerlakken van Powned het voor het zeggen krijgen, kan dat zomaar weer gebeuren.

De foto is uit 1980. In Brussel waren nog geen wijken vol verontwaardigde jongemannen met vlasbaardjes en een godsdienstwaanzinnige blik. Boze jongemannen, die menen dat verontwaardiging een vrijbrief is voor meedogenloos moorden. Wij waren ook boos, op onze manier. Wij uitten onze boosheid in gedichten, weigerden op vakantie te gaan naar landen die de doodstraf toepasten en haalden herinneringen op aan demonstraties tegen de oorlog in Vietnam. Twee jaar later feestte ik in hotel Torarica, in het Paramaribo van Roy Horb en Desi Bouterse. Zeven jaar later kreeg ik een Fulbrightbeurs en ging ik naar het verderfelijke Amerika. Ik vraag mij af: komt artistiek Brussel nog steeds bijeen in De Dolle Mol?


Foto: archief auteur



vrijdag, mei 13, 2016

Het begin




Het verhaal is bekend. Ik leerde Stella in Minneapolis kennen, toen ik daar een tijdje met een Fulbrightbeurs aan de universiteit verkeerde. Het was een zonovergoten periode, met temperaturen tussen de zestien en vijfenveertig graden. Zestien in de collegezalen, waar je vanwege de hinderlijk overdreven luchtkoeling altijd een trui aan moest, vijfenveertig daar buiten. Verrassend genoeg had de kamer in Middlebrook Hall, die ik deelde met de IJslandse historicus Ragnar Sigurdsson, geen koelkast. Wij dronken in die dagen Milwaukee's Best, dat we betrokken van een supermarkt aan de rand van de campus. De blikjes koelden we zo goed en zo kwaad als het ging op de airco, een soort kast onder het raam, waar 's winters warme en 's zomers koude lucht uit kwam. Roken was nog net geen probleem, al begonnen de eerste anti-rokers al verontrustend te radicaliseren.

Dat er iets was ontstaan tussen Stella en mij, werd duidelijk toen we op een keer in een lift stonden en ze mij spontaan begon te zoenen. Een paar dagen later nam ik haar uit eten naar een Mexicaans restaurant, ergens in downtown Minneapolis. Daar gingen we zo op in elkaar, dat de tornado die over een deel van de stad raasde, ons geheel ontging. Terug in Middlebrook Hall kroop de rest van het internationale gezelschap waarin wij verkeerden net uit de schuilkelder. In één klap hadden we een reputatie van onverschrokkenheid. Echt onverschrokken was Ragnar. Hij ging tijdens het tornado-alarm doodgemoedereerd met zijn camera op het dak zitten, ongeveer zoals Churchill in Londen tijdens de Blitz.

Stella vond dat de rest van het gezelschap niets van onze relatie hoefde te weten. Ik vond dat eerst wat overdreven, maar besefte al snel dat ze gelijk had. In de groep bevond zich een Nederlandse docent, die het verblijf in Minneapolis opvatte als een uitnodiging om zoveel mogelijk vrouwelijke collega's te bevrijen. Zijn pogingen daartoe hadden wisselend succes, maar leidden op den duur tot zoveel ergernis, dat zijn opvallend obsessief gedrag aanleiding was voor de hoogleraar, die aan het hoofd van het programma stond, om hem ernstig tot de orde te roepen. Alleen Ragnar en Stella's kamergenote Ute wisten van onze relatie, want we wilden weleens een uurtje ongestoord alleen zijn. De anderen hoorden er pas van toen ze drie jaar later onze trouwkaart ontvingen.

Onlangs vond ik in Stella's archief twee schriften met dagboekaantekeningen uit die tijd. Grotendeels in het Engels geschreven, wat ik gemakkelijker lees dan (handgeschreven) Grieks. Ik lees ze met een sterk gevoel van weemoed, maar toch is het heerijk om alles door de ogen van mijn grote liefde nog eens te beleven.


Foto: archief auteur


zondag, mei 08, 2016

Goedgelovig




Claire zegt dat ik mij er niet druk over moet maken. Dat het mijn zaak niet is. Dat ik mij er niet mee mag bemoeien. Ik weet dat ze gelijk heeft. Ook al is ze tweeëndertig jaar jonger, soms heeft ze meer levenswijsheid dan ik. Toch schiet mijn bloeddruk omhoog zodra ik hoor dat ze weer de nacht met hem heeft doorgebracht. Nee, jaloers ben ik niet, wel bezorgd, diep bezorgd. Is het wanhoop, angst om over te blijven, een geval van liefde maakt blind, vergaande naïviteit?

'Laat gaan,' raadt Claire, 'zit je niet op te vreten, denk aan je hart.' In plaats daarvan denk ik aan hoe het af kan lopen, aan hoe het af zal lopen. Ik wil geen conflicten, daarom houd ik mensen die ik niet vertrouw, die mij tegenstaan, zoveel mogelijk op afstand. Daarom is zij met hem erbij niet welkom, ook al leef ik op in haar gezelschap en wil ik haar iedere dag wel zien.

Ik voel wat veel vaders moeten voelen als het gaat om een dierbare dochter en een foute man. En dan is zij nog maar een aangenomen dochter. Claire schudt het hoofd, haar ogen staan zorgelijk.

Foto: auteur


donderdag, mei 05, 2016

Vijf mei




Vijf mei. Ik heb de vlag uitgehangen. Het begrip vrijheid wordt immers steeds minder vanzelfsprekend, alle mooie woorden uit Den Haag en Brussel ten spijt. Eindelijk belooft het een warme, zonnige dag te worden, na een te lang, te nat en te koud voorjaar. Klagen over het weer is een van de zinlooste dingen om te doen. Het gebeurt veelvuldig, maar vandaag zul je mij er niet over horen. Bevrijdingsdag! In dubbele betekenis. Veertig jaar geleden werd op vijf mei de scheiding tussen Annemarie en mij officieel. We waren een jaar getrouwd. Te jong, kinderen nog een beetje. Toen we trouwden was zij negentien, ik drieëntwintig. We merkten op een gegeven ogenblik dat we niet toe waren aan iets als een huwelijk, of dat we toch minder bij elkaar pasten dan we in de roes van verliefdheid dachten. Haastige spoed is zelden goed, maar toch gaven wij om elkaar. Het werd geen vechtscheiding, maar een uit elkaar gaan met wederzijds begrip. Er waren geen kinderen, er was alleen een krotje in de Marcellus Schampersstraat. Het is lang geleden afgebroken en vervangen door twijfelachtige nieuwbouw.

We bleven bevriend, tot op de dag van vandaag, al verliepen onze twee levens volgens een geheel ander patroon. Dat van haar doet ze misschien nog weleens uit de doeken, dat ligt niet op mijn weg, maar ze heeft een paar boeken gepubliceerd en schrijft columns, dus wie weet. Niet lang na haar scheiding verhuisde ze naar haar geboortestad Haarlem. Een stad die mij buitengewoon sympathiek is, maar het is Dordrecht niet. Tekenend is dat deze foto van ons als jong, harmonieus paar, genomen is in Haarlem, toen ik bij haar op bezoek was met Gerrit de Wolf (1949-2010). Een bezoek dat ik beschrijf in mijn nieuwste boek Een zootje ongeregeld.

Twee jaar geleden was ik te gast toen ze trouwde met Jan, op net zo'n stralende dag als nu. Ik hoop dat die zon in hun leven blijft. Op vijf mei sta ik altijd even stil bij de vraag hoe mijn leven zou zijn verlopen als wij bij elkaar waren gebleven. Een vraag die even zinloos is om te stellen als klagen over het weer, maar die je toch graag iedere keer weer opwerpt.


Foto: archief auteur




vrijdag, april 29, 2016

Iedere dag vrijdag




Ik ben geen principieel vegetariër, maar wel eet ik steeds minder vlees. Veel soorten vind ik eenvoudig niet lekker, van vetranden gruw ik en van botten eraan lopen de rillingen over mijn rug. Nu ja, bij wijze van spreken. Koeien vind ik mooie, menselijk nieuwsgierige beesten, varkens charmant slim en schapen en geiten grappig. Dat soort dieren moet je eigenlijk niet eten. Kippen zijn er voor de eieren en bovendien barst een groot deel van de antibiotica. Toch eet ik soms vlees. Bijvoorbeeld als ik te gast ben bij iemand die erg zijn of haar best heeft gedaan om mij iets voor te zetten. 'Was het maar een visje,' denk ik dan weleens, want bij mij mag het iedere dag vrijdag zijn, met een knipoog naar Gerard Reve. Die verdomde graten neem ik op de koop toe.

Ik vind het geen probleem dat mensen vegetariër zijn. Ik heb wel moeite met de dweepzucht en de zendingsdrang van sommige vegetariërs. Mensen voor wie het vegetarisme het ware geloof is geworden, waar we allemaal aan moeten. In die kringen vind je niet zelden ook anti-rookterroristen en kwakzalfgevoeligen, die geloven dat je kanker kunt genezen met een hap koenjit. Dat die ziekte toch nog voorkomt in bijvoorbeeld Indonesië, ligt dan niet aan de koenjit, maar aan het gebrek aan 'positiviteit' van de slachtoffers, die niet in het wondermiddel geloven. Dat soort overtuigden is niet ver verwijderd van het achterlijk deel der mensheid dat gelooft dat gemalen neushoornhoorn het libido vergroot.

Het menselijk brein is een wonderbaarlijk, maar moeilijk te doorgronden fenomeen. De knapste vindingen tot heil van de homo sapiens komen eruit voort. Gelukkig maar, anders had ik mijn hartstilstand niet overleefd. Het is echter ook een labyrint met schrikwekkende krochten en duistere nissen. Daar schuilt de achterlijkheid, de kwijlende, zwakzinnige tweelingbroer van de verlichte mens. Net als iedere volwassen burger heeft hij kiesrecht.

Foto: auteur



maandag, april 25, 2016

Ruin




Zomer 1955. Ik zit voor het eerst van mijn leven op een paard. We zijn op bezoek bij tante Pie, weduwe en zus van mijn grootmoeder, op haar boerderij in de Mookhoek, achter 's Gravendeel. In mijn ogen toen een wereldreis vanuit Dordrecht, nu een eenvoudig fietstochtje door de Kiltunnel. Het meisje achter mij moet mijn achternichtje Coby zijn, een kleindochter van tante Pie. Zij werd later heel goed in kunstschaatsen. De arm die het paard vasthoudt, is die van Jan de Geus, die toen al sinds mensenheugenis op de boerderij werkte. Na het jong overlijden van haar zoon, mijn oom Jan, de vader van Coby, verkocht tante Pie de boerderij, die altijd 'stee' werd genoemd, wat ik als stadsjochie niet begreep. Ze ging verderop wonen, in een huisje waarvan Jan de Geus tot op hoge leeftijd de tuin onderhield. Hij woonde toen niet meer in de Mookhoek, maar in een bejaardenhuis in 's Gravendeel. 'Op 's Gravendeel,' zeiden we in de familie. We zeggen ook altijd 'op Zwijndrecht.' Jan verveelde zich naar eigen zeggen in het tehuis en deed de tuin om wat om handen te hebben.

Soms ging ik met mijn moeder een paar dagen op de boerderij logeren. Jan was daar mijn grote vriend. Twee keer per dag mocht ik mee naar de wei, waar hij de koeien ging melken. Toen ik wat ouder was, leerde hij mij het melken, dat nog helemaal met de hand ging. Zat je op een krukje naast zo'n enorm beest. Ik droom nog weleens van zo'n zwiepende staart. Een andere vriend was Benno de Sint Bernhard. Een bijzonder dier. Soms mocht ik als kleuter op zijn rug rijden, maar de postbode durfde het erf niet op, want Benno had een enorme hekel aan uniformen. Als het warm was had hij daar erg last van en lag hij het liefst de hele dag ergens in de schaduw.

Erg bang was ik van de stier. Die stond altijd op stal, aan een ketting. Soms hoorde je hem woest snuiven en stampen. Op een dag brak hij los en rende hij over de dijk. Ik durfde niet naar buiten, tot Jan de Geus het hek in de wei open zette. De koeien sjokten daarna op de automatische piloot naar de stal, met de stier er likkebaardend achteraan. Zo werd hij weer gevangen. In de schuur, naast de stal, stond een arrenslee, die 's winters, als het voldoende had gesneeuwd, door het paard werd getrokken. Het paard was een ruin. Pas veel later leerde ik wat dat woord betekende.


Foto: archief auteur





vrijdag, april 15, 2016

Het zwaard van Damocles







De eerste die aan het begin van de crisis al direct de deuren sloot, was de kleine buurtsuper aan de overkant. Een winkel die nooit goed liep, want de eigenaar was niet bepaald een zakenman. Hij verkocht nogal wat spullen die over de houdbaarheidsdatum waren en ook vaak 'nee,' maar hij was tot laat in de avond open. Dat was handig voor de vergeten boodschap en voor als het bier of de wijn onverwacht op raakten. De volgende was de groothandel in koffie en thee. Daarna sloot de schoenmaker zijn werkplaats, maar dat had weinig met de crisis te maken. Hij ging dood aan een enge ziekte

In de jaren daarna greep het verval meer en meer om zich heen: het café aan de beek, waar je op zomeravonden op het terras kon genieten van het driftige gekwaak van de kikkers; de man die batterijen en lampen verkocht en de timmerman in de Vassiliadesstraat; de kledingzaak van Orfanidis. Soms kwam er een goedkope snackbar voor in de plaats, die niet zelden weer even snel geruisloos verdween. Tot ik zelf het Schrijfhuis en de buurt verliet. Met pijn in mijn hart, maar soms veroorzaakt te lang aan iets vasthouden nog meer pijn.

Iedere keer als ik naar Thessaloniki reis, vraag ik mij af of mijn stamcafé, Loxias, nog bestaat. Ze leiden er een precair bestaan, achtervolgd door schulden en een al dan niet afnemende klandizie, die in ieder geval steeds minder te besteden heeft. Het is nog altijd een schuilplaats voor de alledaagse ellende van de crisis, maar voor hoe lang? Ik drink mijn koffie en kijk naar een paar studentes, die hard aan het werk zijn om hun dromen te laten uitkomen. Ergens ver over de grens, in een ongastvrij en steeds vijandiger Europa.

Foto: auteur



vrijdag, april 08, 2016

Sodom en Gomorra




Ik heb sleep mij omhoog naar café Propyleion, onder de Byzantijnse muren van de bovenstad. Een serie steile trappen op, die, naarmate ik hoger kom, een steeds magischer uitzicht bieden op Thessaloniki, de baai en de met dit verrassend heldere weer goed zichtbare Olympus. Over magistraal gesproken. Als de Olympiërs in een goed humeur zijn, of een dagje op excursie, gunnen ze ons soms een blik op hun troon. De sneeuw op het massief straalt een ongereptheid uit, die sterk contrasteert met het mierennest van beton, steen en asfalt aan mijn voeten.

Ik probeer mij vaak voor te stellen hoe het leven in een andere tijd moet zijn geweest. Ik ben niet voor niets historicus geworden. Ik ga niet helemaal mee in de zoektocht van Leopold von Ranke naar 'wie es eigentlicht gewesen is,' maar ik ben wel gecharmeerd van historical reenactment. Ik weet het, ook dat berust op een interpretatie, dat is nu eenmaal onvermijdelijk, maar ik houd van deze manier van je inleven in een vroegere periode. Ik ben afgestudeerd in de contemporaine geschiedenis, maar ik voel me soms een achttiende-eeuwer en even graag verblijf ik in nog vroeger tijden, zoals het achtste-eeuwse Engeland, of in de oudheid in Hellas of Rome.

Het Romeinse rijk viel aan het einde van de vierde eeuw uiteen in een West en een Oost Romeins rijk. In diezelfde periode kreeg het christendom het Oost-Romeinse rijk in haar greep. Wij spreken dan van Byzantium, een naam die door latere historici is bedacht. Als ik zou moeten kiezen tussen Hellas of Byzantium, koos ik Hellas. Ik heb een ongemakkelijk gevoel bij de komst van het christendom. Het is alsof er een zonsverduistering plaatsvond, waarna de wereld nooit meer zo helder en sprankelend werd als voorheen. Dat in sommige kringen hoog wordt opgegeven van de zogenaamde joods-christelijke waarden, neemt niet weg dat de god van de christenen zich in de bijbel toch vooral manifesteert als een wrede, nietsontziende, woestijntiran. Het oude testament staat bol van moord, doodslag en gelukkig ook de nodige seks. Alle mooie woorden en vermeende wonderen van de timmermanszoon uit Nazareth in het nieuwe testament hebben niet voorkomen dat christenen zich bij tijd en wijle extreem bloeddorstig hebben gedragen.

Langzaam begint de lucht dicht te trekken en verdwijnt de Olympus in de wolken. De oude Grieken konden er ook wel wat van, van moord en doodslag. Niets menselijks was hen vreemd. Hun goden hadden dezelfde deugden en ondeugden als de mens. Daardoor zijn ze beter te begrijpen dan die zogenaamd barmhartige Heere, die toornig Sodom en Gomorra verwoestte. Steden waarin menige Griekse god zich uitstekend zou hebben vermaakt.

Foto: auteur






vrijdag, april 01, 2016

Tweede Dordtse Middag van het Korte Verhaal


Thisgirlslife Ilona (foto: Kees Klok) 


Tweede Dordtse Middag van het Korte Verhaal

Op zondag 17 april vindt in galerie De Compagnie aan de Kuipershaven 21 te Dordrecht de tweede Dordtse Middag van het Korte Verhaal plaats. De middag wordt georganiseerd om het publiek nader kennis te laten maken met het fenomeen kort verhaal, dat in de laatste jaren steeds meer in de aandacht is gekomen, wat ondermeer blijkt uit het instellen van diverse prijzen, zoals de A.L. Snijders Prijs en de J.M.A. Biesheuvel Prijs. Een zevental schrijvers zal voorlezen uit eigen werk. De muzikale omlijsting is in handen van de bekende Dordtse singer-songwriter Thisgirlslife Ilona.

De middag, die wordt georganiseerd en gepresenteerd door schrijver Kees Klok, in samenwerking met uitgeverij Liverse en galerie De Compagnie, begint on 13.00u. De toegang is gratis.

De optredenden schrijvers zijn (in alfabetische volgorde):

Mohammed Benzakour (Marokko, 1972) is schrijver, socioloog én imker, expert in de kosmos en: ‘de enige Reviaan van Marokkaanse origine’. Hij geniet faam als eigenzinnige opiniemaker over hoofdzakelijk kwesties op het breukvlak van culturen en religies. Met zijn boek 'Abou Jahjah, nieuwlichter of oplichter?' (2004) bracht hij in kaart hoe tendentieus in Nederland en België met het politieke fenomeen Dyab Abou Jahjah zijn omgesprongen. In 2005 verscheen Osama’s Grot – een sprankelende bundel beschouwingen en columns op het breukvlak van twee culturen. Zijn publicaties leverden hem o.a. de El Hizjra Literatuurprijs (poëzie) op, de Amsterdamse Media Prijs (1999), en later de Zilveren Zebra (2001). In juni 2005 werd hij door het Humanistisch Vredesberaad i.s.m. het Huis van Erasmus bekroond met de prijs Journalist voor de Vrede 2005/2006. In september 2008 verscheen zijn laatste bloemlezing ‘Stinkende Heelmeesters’ bij uitgeverij De Geus – waarvoor hij genomineerd werd voor de E. du Perronprijs 2010. In 2013 publiceerde hij ‘Yemma’, over zijn invalide moeder, waarmee hij de E. du Perronprijs won. In oktober 2015 volgde 'De Koning Komt,' een roman over een jongeman die op zoekt gaat naar een bruid in Afrika, maar terugkomt met een pratende ezel.

René van Densen (1978) is schrijver, dichter en zelfverklaard mafkees. Tot dusver publiceerde hij elf boeken met proza, poëzie, korte verhalen en strips. In het verleden was hij Nachtburgemeester van Tilburg. Als u hem zoekt op Google, komt u enkel gekkigheid tegen. In 2015 vond hij een nieuwe vertelvorm uit, waar hij op de Dordtse Middag van het Korte Verhaal over vertelt en enkele voorbeelden van zal voordragen. Schrik niet van zijn jas, het is een vredesjas.

Jan van der Geer (Dordrecht, 1949) publiceerde in Avenue literair, Letteriek, Herman, Kruispunt en Ballustrada. Hij was redacteur van cultureel jeugdblad BY en mede-oprichter van de roemruchte stichting Bobby Kinghe. In 2012 publiceerde hij bij uitgeverij Liverse de dichtbundel Niemand verdwijnt. In 2014 verscheen bij dezelfde uitgever de verhalenbundel Wakker in een Droom.

Wim Jilleba (Dordrecht, 1928). In 2007 verscheen zijn boek 'Buitenlander in vijandig land,' waarin hij vertelt over zijn ervaringen tijdens de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog. In 2010 verscheen van zijn hand 'De Contra Inlichtingendienst tijdens de Koude Oorlog,' gelijktijdig met de bundel 'Het kan zo weer gebeuren,' gedichten die betrekking hebben op zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en zijn tijd als dienstplichtige in voormalig Nederlands-Indië. In 2011 verscheen bij uitgeverij Liverse de dichtbundel 'Drie Stromen.'

Leen Raats (Antwerpen, 1984), freelance copywriter en journalist. Zij publiceerde in 2015 haar prozadebuut ‘Barst’ bij uitgeverij Liverse. Een van de verhalen uit die bundel verscheen ook in de bundel ‘Kort & Goed’ van AFdH-uitgevers en werd opgenomen in de Nederland Leest-bundel, waarvan in november 2015 zo’n 400.000 exemplaren werden verspreid. Onlangs werden haar verhalen nog geprezen door A.L. Snijders, in het televisieprogramma De Wereld Draait Door. Op de Dordtse Middag van het Korte Verhaal zal ze enkele zeer korte verhalen uit ‘Barst’ voorlezen.

Ina Rogge (Emmen, 1958) is sinds 1995 woonachtig in Dordrecht. Zij is werkzaam geweest als socio-therapeute in de psychiatrie. Tegenwoordig schrijft ze korte verhalen en wekt ze aan een kinderboek. Zij is medewerkster van het Dordtse kunstenaarscollectief DOOR. Ze is daar medeverantwoordelijk voor persberichten over de evenementen. Binnenkort verschijnt er een bundel korte verhalen bij uitgeverij Liverse, over haar rondzwervingen door India en andere landen.
Linda Wouters (Sevenoaks, 1955) werkt als ambulante begeleider in het onderwijs. In haar vrije tijd schrijft zij korte verhalen en gedichten over haar werk en de mensen die ze ontmoet. Als journalist schrijft ze voor een wijkkrant in Dordrecht. Met haar verhaal 'Inburgeren' heeft ze de eerste prijs behaald in een verhalenwedstrijd van de schrijfster Lulu Wang. Met verschillende andere verhalen en gedichten viel ze in de prijzen. Op dit ogenblik werkt zij aan een boek over het markante leven van de Dordtse muzikant en kunstenaar David Rodriguez. Zij zal enkele recent geschreven korte verhalen voordragen op de Dordtse middag van het korte verhaal.
Datum: 17 april 2016
Plaats: Galerie de Compagnie, Kuipershaven 21, Dordrecht
Aanvang: 13.00u
Entree: gratis


donderdag, maart 31, 2016

Brief aan Stella vanuit het ziekenhuis




Lieve Stella,

Je merkt het misschien wel aan mijn handschrift, dat op zijn zachtst gezegd wat ongewoon is, maar mij is iets overkomen dat ik nooit had verwacht. Ik weet eigenlijk zelf nog steeds niet precies wat er is gebeurd, maar afgelopen maandag stond ik in de Museumstraat met Kees Thies te praten, toen alles ineens op zwart ging. Drie dagen later werd ik wakker op de intensive care van het Albert Schweitzer Ziekenhuis. Vanaf maandagmorgen tot dat ogenblik weet ik niets meer. Men zegt een hartstilstand of een zware hartaanval. Ik ben gered door snel en diligent ingrijpen van Kees en enkele dames uit de buurt, Karin en Linda, en de zeer snel aanwezige politie. Althans dat is wat tot nu toe tot mij is doorgedrongen, ik moet de zaak later nog eens met Kees bespreken. Was het thuis gebeurd, dan had in de krant gestaan: 'Dichter Kees Klok dood in huis gevonden.' Afgezien van het feit dat dat niet de bedoeling was, geeft het ook aanleiding tot akelige speculaties. Ik weet nog niet hoe ik mijn redders kan bedanken, maar daar komt nog wel gelegenheid voor. Eerst moet ik weg uit het ziekenhuis, zodat ik weer in mijn eigen bed kan slapen, zonder allerlei gedoe dat mijn bloeddruk opstuwt. Ik ben gedotterd, er is een stent geplaatst en na drie maanden hartrevalidatie moet ik weer tot heel wat in staat zijn, zoals een wandeling maken naar de Kop van 't Land. Ik ben ook lang nog niet uitgeschreven.

Ik krijg een overweldigend aantal betuigingen van medeleven. Zusje Marja is zeer zorgzaam en heeft inmiddels veel vrienden en bekenden geïnformeerd. Ik krijg heel veel hulp aangeboden, meer dan nodig, wat een geruststellende gedachte is. De ongerustheid over wat er met mij aan de hand was, werd verergerd doordat juist die maandag Facebook mijn account tijdelijk had afgesloten. Ik had de verkiezingsaffiche van de PSP uit de jaren zestig (blote vrouw met koe, onder de leuze: Ontwapenend!) op mijn tijdlijn gedeeld. In de Verenigde Staten, de grootste porno-producent ter wereld, begrijpen ze niet dat het hier om een historisch document gaat. Er is trouwens ook helemaal niets mis met bloot, zolang je er maar niet bij zet dat er een piemel in moet. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan zijn ze, om het mild uit te drukken, soms een tikje hypocriet. Dickens constateerde dat al in 1842. Ja, overal werd hij enthousiast toegejuicht, maar toen het op betalen van auteursrechten aankwam, gaven de bewonderaars niet thuis. Om mijn vrienden gerust te stellen, heb ik het historische document verwijderd, maar iemand zou die lui eens een lesje moderne, Nederlandse geschiedenis moeten geven. Ik zou dat graag doen. Ik hoef er maar drieduizend dollar per dagdeel voor te hebben, exclusief reiskosten.

Ik heb nooit eerder in een ziekenhuis gelegen en toch heb ik een sterk gevoel van déjà vue. Misschien vanuit de tijd dat jij boven lag, op de afdeling oncologie? Het lijkt me eigenlijk niet erg waarschijnlijk. Toch is het alsof ik het allemaal al eens heb meegemaakt. Ze hebben me drie dagen slapende gehouden. Weliswaar met een infuus met vocht en, ik neem aan, vloeibare voeding, maar ik ben er toch flink van afgevallen. Wat een mager bekkie heb ik, als ik in de spiegel kijk. Het valt wel op hoe sterk ik op oma Klok lijk, althans op de foto van haar die bij ons op de slaapkamer hangt. Daarop is ze ongeveer van mijn leeftijd. Erg goed heb ik haar niet gekend, ze was al ver in de tachtig toen ik werd geboren, maar dit terzijde.

We zingen op de noordtribune bij FC Dordrecht weleens de hymne Het is een vlooientheater. Daaraan moest ik vannacht denken, op momenten dat ik wakker was. Hier begon een infuus te piepen, daar rinkelde een alarm, regelmatig begon de 'ADHD-patient' een deur verder in zijn slaap een redevoering af te steken en soms hoorde je iemand zwaar hoesten. Ik lag te bedenken hoe ik dat allemaal zou gaan opschrijven. Niet echt ideaal voor rust en bloeddruk, maar die laatste is ook steeds wat te hoog door wat er allemaal op me afkomt en ik mijn nipte ontsnapping aan de dood nog niet echt heb verwerkt. Ik heb het geluk dat ik een aardige kamergenoot heb, een heer die ook boeken leest en technicus was bij het GEB, in de tijd dat we nog gewoon Dordtse stroom produceerden. Ik herinner mij die vier machtige schoorstenen op de Staart, op de plek waar nu het gevang staat. Als je bij oom Jaap en tante Jo in Strijen-Sas was, kon je ze nog zien, maar dit alles terzijde.

Ik word hier uitstekend verzorgd, voor een deel door oud-leerlingen, die in ruime getale in het ziekenhuis zijn vertegenwoordigd. Ik trof ook de moeder van een oud-leerlinge, uit dezelfde klas als de dochter van Kees Thies. Er werkt op de afdeling zelfs een oud-leerlinge uit mijn tijd in Hendrik-Ido-Ambacht, die mij direct herkende, ook al had ik toen nog haar, meteen ook het langste van de school, en een woeste baard. Er lopen ook een internist, een chirurg en een oncoloog rond die ik heb lesgegeven. Ik hoop dat ze goed hebben opgelet, want als je verstand hebt van geschiedenis, heb je eigenlijk overal verstand van, wil ik mijzelf nog weleens voorhouden. Kijk maar naar mijn eigen leermeester, Maarten van Rossem, wiens boek over de ondergang van het Romeinse rijk op het nachtkastje ligt.

Ik heb besloten om, zodra ik weer min of meer de oude ben, een cursus reanimeren te gaan volgen. Ik weet nu hoe belangrijk het is. Dat wist ik natuurlijk al, maar nadat ik mijn in 1974 behaalde EHBO-diploma heb laten verlopen is het er nooit meer van gekomen. Ik mag als doctorandus op elk vakgebied een proefschrift schrijven, mits ik een promotor vind. Wat denk je van een proefschrift over de geschiedenis van de cardiologie in Nederland? Laat ik eerst maar eens zorgen dat de bloeddruk naar beneden gaat, dan zijn we weer een stap verder.

In gedachten, altijd,

Kees

Albert Schweitzer Ziekenhuis, Dordrecht, 27 maart 2016


Foto: archief auteur 


zondag, maart 20, 2016

Brief aan Stella (15)




Lieve Stella,

Ik weet zeker dat je zou hebben genoten van de poëzieavond, gisteren in Villa Augustus. Niet alleen van de poëzie en van het aardige gesprek dat we hadden over het vak, maar ook van de mooie omgeving. Het was donker en er woei een gure wind over de stad, maar de tuinen lagen er, in al hun wintersheid, fraai bij. Natuurlijk was dat vooral door de sfeervolle belichting. Ik hunker naar de dag dat ik weer op het terras koffie kan gaan drinken en kan genieten van die tuinen. Of van de tuin van DOOR, waar ik op het ogenblik zit te schrijven. Denk niet dat ik niet geniet van onze eigen veranda en tuin, maar soms moet ik even onder de mensen zijn en toch werken. Dat kan uitstekend bij DOOR. Ik heb bij Villa Augustus nog niet geschreven. Het restaurant leent zich daar misschien minder voor, omdat het wel erg groot is en een slechte akoestiek heeft, maar het terras misschien wel. Ik zal het eens uitproberen, als we tenminste een fatsoenlijk voorjaar krijgen, waar het voorlopig niet naar uitziet. Al dagen wordt de temperatuur meer door een scherpe, gure wind bepaald dan door de zon, maar laat ik mijn tijd niet verdoen met klagen over het weer.

De avond werd gehouden in dezelfde zaal waar we indertijd de koffietafel hadden na het overlijden van Jacques' moeder. In de watertoren zelf, nu het hoofdgebouw van het hotel. Dichters van dienst waren Myrthe Leffring, die ook de presentatie deed, Menno Wigman en uit Vlaanderen Paul Desmet. Ik heb na afloop van elk de nieuwste bundel gekocht en die, eigenlijk tegen mijn gewoonte in, laten signeren. Meer om een gelegenheid te hebben een praatje aan te knopen, dan om de handtekening zelf. Ik geef nooit zo om literaire curiosa als eerste drukken of gesigneerde exemplaren, al vind ik het dan weer wel leuk om een paar boeken te hebben met een persoonlijke opdracht van Kees Buddingh' en Jan Eijkelboom. Bijvoorbeeld in een van Buddingh's dagboeken: 'Voor Kees K., van Kees B.' Kees nadrukkelijk niet met een C.

Ik weet niet wat mij overkomt, maar ik heb in drie dagen tijd vier gedichten geschreven. Of liever, er hebben zich vier gedichten aangekondigd, waarover ik voorlopig enthousiast ben. Dat euforische gevoel waar Menno Wigman het gisteren over had. Of ik dat gevoel over een week nog heb, weet ik niet, maar als ik dan nog even enthousiast ben, dan ben ik weer een nieuw pad ingeslagen. Spannend, want je weet niet waartoe dat gaat leiden. Ook over het proza schrijven mag ik niet klagen, al is dat een ander procedé dan dichten. Dat weet je, want dat ging bij jou eigenlijk net zoals bij mij. Wat ik al schreef: gedichten kondigen zich aan (iets wat Wim de Vries al lang voor mij constateerde). Proza schrijf je niet in de roes waarin de eerste versie van een gedicht wordt geboren. Een verhaal kun je op je gemak construeren, een gedicht dringt zich op en dringt altijd voor. Het was aardig om van de collega's in Villa Augustus te horen dat zij ook altijd een notitieboekje bij de hand houden om invallen direct te kunnen noteren, anders vergeet je die weer snel. Iemand (Buddingh'?, Eijkelboom?) heeft mij ooit die raad gegeven. Dat heeft in de nacht van maandag op dinsdag de basis voor twee gedichten opgeleverd. Ik heb ze gistermorgen na het ontbijt uitgewerkt, nog voor ik met Gerard Bouma en Jan van der Geer naar het Gemeentemuseum in Den Haag ging voor de grote tentoonstelling van Karel Appel.

We vertrokken vroeg naar Den Haag, omdat we bang waren anders in een lange rij wachtenden terecht te komen. We hadden beter moeten weten. Het museum gaat, net als het Dordtse, pas om elf uur open. Vroege vogels en musea gaan niet samen. We zijn koffie gaan drinken in een naburige, veredelde snackbar, tussen enkele luidruchtige, maar vriendelijke Hagenezen. Erg warm was het er niet, maar de koffie smaakte prima en de rij viel uiteindelijk mee. Om kwart over elf stonden we tussen de Appels. Wat ik met zijn werk aan moet, weet ik eigenlijk niet zo goed. Ik begrijp wel wat hem drijft en ik heb ook wel, wat moet ik zeggen, respect voor zijn werkwijze, want bewondering is een al te groot woord, maar als ik iets zou mogen uitkiezen om thuis aan de muur te hangen, zou ik voor een moeilijke keuze staan. Misschien een van zijn portretten, vanwege de krachtige, sprekende ogen. In sommige werken schuilt een ondefinieerbare kracht, wat Appel onderscheidt van het legioen fakers en charlatans in de eigentijdse kunst. Er hingen een paar tekeningen die geniaal van eenvoud zijn, maar toch heb ik het meeste maar voor kennisgeving aangenomen, simpelweg omdat die werken bij mij geen ontroering teweeg brengen.

We lunchten in het grand-café, op de overdekte binnenplaats van het museum, die mij deed denken aan het restaurant van de Wallace Collection in Londen. We hebben ook nog een kijkje genomen bij Judith van Gustav Klimt. Een prachtig schilderij, maar de bedoeling van het decor waarin het werd getoond, rijen verlichte en onverlichte parfumflesjes in een donkere zaal, ontging mij. Eerlijk gezegd was ik te moe om mij er in te verdiepen. We zijn tenslotte naar café De Posthoorn gegaan, want een bezoek aan Den Haag is eigenlijk niet compleet zonder een bezoek aan De Posthoorn. Weet je nog dat we daar eens waren bij de opening van een Griekse schilder die daar exposeerde? Dat was in het jaar dat jij op de Griekse ambassade werkte. Je voelde je daar aan alle kanten bespied en tegengewerkt, omdat je van het ministerie van onderwijs kwam en niet van buitenlandse zaken. Dat was niet de reden dat je met vervroegd pensioen ging, maar het droeg wel bij tot je beslissing. Had je die niet genomen, dan was je misschien nooit poëzie gaan vertalen en zelf gedichten gaan schrijven, al kun je dat nooit met zekerheid zeggen.

Het is negen uur in de avond. De verwarming staat hoog. Het was vandaag wel weer guur genoeg buiten. Om drie uur ben ik bij DOOR vertrokken naar het Stadscafé, waar ik een bespreking had met Linda Wouters, pedagoge en schrijfster, die op 17 april optreedt op de Dordtse Middag van het Kort Verhaal. Halverwege het gesprek werd ze gebeld: ze was oma geworden. Bijna op hetzelfde ogenblik kwam Becky binnen, een Amerikaanse vriendin van haar, die al twintig jaar in Dordt woont. We hebben het heugelijke feit toen maar even gevierd. Daardoor kwam er van koken niet veel meer. Ik had nog wat soep staan en ik heb een diepvriespizza in de oven gezet. Die eet ik zelden of nooit, maar een gelovige kan niet constant bidden. We lopen de calorieën er wel weer af. Jij zou diepvriesvoeder niet goedkeuren. Jij moest alles vers en weloverwogen, daarom is het des te ironischer dat uitgerekend jij maagkanker kreeg. Onlangs werd bekend dat een chemische fabriek, hier hemelsbreed drie kilometer vandaan, jarenlang een of andere giftige stof heeft uitgestoten. In de lucht, maar het schijnt ook in het leidingwater te zijn aangetroffen. Dat geeft te denken, maar dan dringt zich de vraag op waarom jij wel en zoveel anderen niet? Wat luchtkwaliteit betreft leven wij in het meest vervuilde deel van Europa. Dat heeft gevolgen, maar daar hoor je Fons Nijpels, die griezelige anti-rook ayatollah, niet over. Die gaat wel jammeren als ik op een terras mijn pijpje rook. Je weet dat ik een mild en verdraagzaam mens ben, maar ze moesten hem de tong uitrukken!

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 16 maart 2016

Foto: auteur







woensdag, maart 16, 2016

Derde helft




Drie ventjes, in het tenue van de plaatselijke voetbalclub, hangen op een bank op het dorpsplein. Twee zijn vetzuchtig, ze knappen bijna uit hun broekjes. Ze zijn verdiept in een telefoon. De derde, een schriel manneke, probeert een bal hoog te houden. De anderen zien het niet. Hij schopt de bal naar de overkant van het plein, tegen de muur van het gemeentehuis, en gaat zitten. Het is zaterdag, half drie, ze zullen hun wedstrijd hebben gespeeld.

Op het internet zag ik hoe de club van mijn eiland, kilometers ver weg, gisteravond met 1-0 heeft gewonnen. Het is een club waarvan die ventjes misschien nooit hebben gehoord, zoals de spelers van mijn eiland vrijwel zeker nooit van de club hier hebben gehoord. Soms denk ik dat de mens door het internet meer kennis en inzicht heeft verworven, maar ik weet het niet. De domme medemens braakt nu buiten de borreltafel zijn onderbuikgevoelens uit op wat de 'sociale media' is gaan heten. Ik denk aan bepaalde jongens uit mijn schooltijd. Grote lijven, harde vuisten, lege koppen. Je lachte met hen mee. Vanwege die vuisten en ook omdat je mee mocht voetballen, maar nooit als spits.

Het schriele ventje staat weer op, pakt een tas, haalt zijn bal op en verdwijnt. De dikkerds zijn niet van de bank te slaan.

Foto: auteur.


zaterdag, maart 12, 2016

'Dordtse' brief aan Stella




Lieve Stella,

Ik heb het weer eens bont gemaakt in het weekeinde. Doelbewust, geheel opzettelijk. Waar ik vaak stevige discipline aan de dag leg, anders zou ik nooit iets fatsoenlijks schrijven, moesten zondag de remmen los. Aan het eind van de middag kwam ik terecht in Merz, waar tegen die tijd meestal een band speelt. Altijd te hard, maar als het goede muziek is, voilà, dan schreeuwen we er gewoon overheen. Ik trof er buurvrouw Elvira en kunstbroeder Josse. Later kwam ook Laura er bij, een vriendin van Elvira en een oud-leerlinge van mij. Beter gezelschap voor een zondagmiddag in onze provinciestad is nauwelijks te bedenken. Terwijl de muziek voortdenderde en wij op goed mediterraan volume converseerden, begon de alcohol rijkelijk te stromen. Ze hebben lekkere wijn bij Merz, ik kan je vooral de rode aanraden. Ik zou zelfs bijna vervallen in dubieuze clichés als kruidig bouquet en fluwelen afdronk.

De stemming zat er al snel in en ik vond dat we die vooral zo moesten houden. Ik heb nog een fors bedrag tegoed van de Griekse belastingdienst, dus het kon eraf. Dat ik dat geld wel nooit zal terugkrijgen, is een gedachte die je op zo'n zorgeloze middag niet toelaat. Als de meisjes even naar buiten gingen om te roken (O, de gruwel van het rookverbod!), spraken Josse en ik over ernstige zaken, zoals zijn aanstaande publicatie in Het liegend konijn, waarmee hij is toegetreden tot de Eredivisie van de Nederlandstalige poëzie. Nu was hij dat toch al, door de nominatie van zijn bundel Ik heb geslacht voor de C. Buddingh'-prijs, maar het kan nooit kwaad dat dat nog eens wordt bevestigd. Ik gun het hem van harte, al zal hij er ook veel afgunst mee oogsten. Haat en nijd horen bij de literaire wereld als vlooien bij een straatkat. Lees daar New Grub Street van George Gissing maar eens op na. Vorig jaar is het verschenen in een Nederlandse vertaling door Mario Molegraaf. Een turf van 560 pagina's, oorspronkelijk uitgegeven in 1891, maar nog zo actueel dat het gisteren had kunnen zijn geschreven.

Om het gesprek enigszins in balans te houden, vertelde ik hem een episode uit mijn wilde jaren. Ik had toen een relatie met Marion. Wij hadden de gewoonte om in vakantietijd na het opstaan vaak nog een tijdje naakt rond te lopen. Die zomer kwam een Amerikaans meisje logeren, dat ik in Schotland, op een van de Hebriden, had ontmoet. Ze paste zich moeiteloos aan onze gewoonte aan, wat op een zonovergoten morgen leidde tot een schaamteloze vrijpartij met zijn drieën. Ik herinner mij dat ik de rest van de dag tot weinig meer kwam en of ik zoiets op mijn licht gevorderde leeftijd nog eens moet herhalen, is de vraag, al blijft het een aardige gedachte. Die uitputting kan echter evengoed het gevolg zijn geweest van het doordrinken op de avond ervoor. Dat geloof ik het liefst. We kwamen tot de conclusie dat de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig heel wat minder preuts en benauwend waren dan het huidige tijdsgewricht, ook al doet het bestaan van instituties als Tinder en Second Love je soms anders geloven. Geruststellend was ook dat AIDS nog moest worden uitgevonden. Soms gingen we met zijn vieren roken. Blauwbekken voor de deur, want Merz heeft wel een rookhol, maar dat is het dan ook letterlijk. Ondanks de kou was dat wel even prettig voor de gehoorzenuwen en de stembanden.

In de loop van de avond kwam ik met Laura en Elvira terecht bij de Grote Griek, waar ze wel een fraaie rookruimte hebben. De meisjes waren verstandig overgeschakeld op water, maar ik moest natuurlijk de pallikari, de stoere jongen, uithangen. Ik ben nog wel keurig achter Elvira aan naar huis gefietst, maar nadat zij door haar eigen voordeur was verdwenen en ik de mijne wilde openen, lag ik ineens op de stoep, onder m'n fiets. Eenvoudig een kwestie van omvallen. Jij zou het niet goedkeuren, dat weet ik wel, maar ik had een geweldige middag en avond, beloond met wat blauwe plekken en schaafwondjes, maar vooral de andere dag met een gedicht onder de toepasselijke titel De val. 's Avonds kwam de Dordtse Dichterskring bij mij thuis bijeen en daar kreeg het unanieme waardering.

De gemeente Dordrecht heeft plannen voor de herinrichting van de Visbrug. Daar wil men een gat in maken, met een trap die naar een aanlegsteiger voert. Ik neem aan dat daar dan rondvaartbootjes moeten aanleggen. Kleintjes, want anders kunnen ze niet onder het stadhuis en het Scheffersplein door. Op zich wel een aardig idee, als het maar niet ten koste gaat van de terrassen van Centre Ville en Olympiada, die wat mij betreft eerder groter dan kleiner zouden moeten worden. De loempiakraam van kunstbroeder Xuan Tran moet in het plan worden verplaatst. Op die plek wordt in een nieuw terras voorzien. Dat moet niet gebeuren. Die kraam, die er al ik weet niet hoe lang staat, is op zich een beeldbepalend monumentje en op een terras dat de hele dag in de schaduw ligt, zit niemand te wachten. Ik voel mij er nogal bij betrokken, omdat, zoals je weet, mijn moeders vader boven Centre Ville is geboren, een jaar na de publicatie van New Grub Street. De brug is deel van onze familiegeschiedenis. Ik vraag mij wel af of het plan in deze tijd, waarin op van alles dat waardevol is hard wordt bezuinigd, verantwoord is. Kees Thies schreef daar ook al over in De Dordtenaar. Als het een erg kostbaar gat wordt (door stadsdichter Peter M. van der Linden inmiddels 'de put van Piet' gedoopt, een verwijzing naar wethouder Piet Sleeking) moeten we er maar niet aan beginnen. Het plan om meer bootjes door Dordt te laten varen is zo gek nog niet, maar dat is veel goedkoper en kinderlijk eenvoudig te realiseren door gebruik te maken van bestaande kaden of steigers. Denk aan de Pottenkade, de steiger bij het stadhuisplein, de Taankade, of al die andere steigers naar de Voorstraatshaven, die bij wijze van spreken gebruiksklaar liggen te wachten.

Ik zit te wachten op een monteur van de KPN, die het internet en de telefoon met de glasvezelkabel komt verbinden. Hij zou er tussen negen en elf zijn, maar, ik was er al bang voor, hij is er nog niet. Het is 12.46u. Ik heb de klantenservice gebeld, die iets zou uitzoeken en mij dan terug zou bellen, maar ik heb nog steeds niets gehoord. Na de lunch ga ik een prettige wandeling maken en dan zie ik wel waar het schip strandt. Misschien wel bij een van de concurrenten. Ik ben toch al niet gelukkig met de hele operatie, want Joost weet wat er allemaal mis kan gaan. Never change a winning team. Zo moet je ook afblijven van een systeem dat goed werkt, maar nee, het moet allemaal sneller, sneller en nog sneller. Big deal! zou jij zeggen.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 8 maart 2016

Foto: auteur
















Te bestellen bij uitgeverij Liverse of de betere boekhandel.


woensdag, maart 09, 2016

Nieuwe Brief aan Stella




Lieve Stella,

Vanmorgen vroeg schrok ik wakker van het alarm dat afging. Ik ben uit bed gesprongen en naar beneden gesneld, maar daar bleek niets aan de hand. Geen inbreker of ander ongerief. Tenzij je belangstelling hebt voor een televisie uit 1989, een defecte CD-speler of een Westminster klok die al maanden op reparatie wacht, is er bij mij niet veel te halen, maar ik heb toch liever geen onguur volk in huis. Ik vroeg mij af waarom het alarm was afgegaan. Op het eerste gezicht was er niets te zien. Na lang rondkijken zag ik dat het lint, waarmee de grote plant bij een van de sensoren is opgebonden, was losgeschoten. De kleine beweging van een zwiepend takje moet de oorzaak zijn geweest. Of een muis, maar van muizen heb ik al jaren geen last meer.

Toen ik weer in bed lag, bedacht ik dat het misschien niet zo verstandig was om direct naar beneden te stuiven. Ik ben niet bang uitgevallen, maar je weet maar nooit wat je tegenkomt. Ik had nog wel snel een onderbroek aangetrokken, maar desondanks sta je niet zo sterk op je pantoffels. Voor ik nog wat probeerde te slapen, heb ik een tijdje gelezen in de nieuwste aanwinst, de Brieven uit Genua van Ilja Leonard Pfeijffer, met wie jij nog eens enthousiast hebt staan praten over Griekse poëzie, elf jaar geleden, in café Van Wegen in Utrecht. Daar werd toen de door Chrétien Breukers samengestelde bloemlezing 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten gepresenteerd.

Ik ben nog maar net in het boek begonnen, maar wat ik tot nu toe heb gelezen, bevalt mij zeer. Niet alleen de stijl. Over veel dingen ben ik het met hem eens en ik ben sowieso een liefhebber van brievenboeken, mits goed geschreven. In een brief wordt iemand rechtstreeks aangesproken en dat is een vorm van directheid die mij goed ligt. Als lezer en als schrijver. Daarbij komt dat hij vanuit Genua schrijft, een mediterrane stad die mij, hoewel ik er nooit ben geweest, aan Thessaloniki doet denken. Als ik tijd van leven heb, wil ik volgend jaar naar de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Carrara. Dan ga ik beslist ook naar Genua. De conferentie van dit jaar sla ik over. Het huis moet van buiten worden geschilderd, ik ga al op wandeltocht door Zuid-Engeland en minstens nog twee keer naar Thessaloniki, maar met de verdiensten is het wat slap de laatste tijd en van mijn column in het Griekenland Magazine kan ik het niet allemaal betalen. Een column in een dag- of weekblad zou prettig zijn, maar wie zit er te wachten op iemand die alleen zo af en toe eens op de radio is te horen? Afgelopen vrijdag nog, op Hilversum 1, zoals ik NPO 1 nog altijd pleeg te noemen, lekker uit nostalgie. Een uitzending vanuit huis, want meneer Govert uit Oosterhout kwam weer eens langs met zijn kastje. Dat scheelde een rit naar het Mediapark, waar ik door een afspraak geen tijd voor had, of een fietstochtje door de regen naar het Mediacentrum van RTV-Dordt.

Vlak voor ik naar Thessaloniki ging, begin februari, was er vanuit dat Mediacentrum een marathonuitzending, van tien tot vijf, van Ben Corino's radioprogramma Studio De Witt, dat normaal op zaterdagochtend van tien tot twaalf wordt uitgezonden door Drechtstad FM, de radiopoot van RTV-Dordt. Studio De Witt bestond een jaar en dat was aanleiding tot een feestje. Terecht, want het is een goed programma en een verrijking van het aanbod van Drechtstad FM. Tijdens het eerste uur is er een hoofdgast, een bekende uit de regio, of iemand die over Dordrecht en omstreken iets zinnigs heeft te vertellen. Die gast kiest ook de muziek. Het tweede uur is voor de lokale actualiteit, waarbij Ben het de plaatselijke politici soms knap moeilijk kan maken, zoals het hoort. Aan het eind van dat uur komt de 'dichter van dienst.' Ik heb al verschillende keren aan Studio De Witt meegewerkt en ik was in die hoedanigheid, met een aantal andere dichters, ook betrokken bij de jubileumuitzending. Het was een aangename happening, waaraan de Dordtse mediamannen Victor de Coninck, Kees Thies, Cees den Bakker, Thijs Blom en Arie Baas als gastpresentatoren meewerkten. Ik ben bij een flink deel van de uitzending geweest en heb vooral genoten van het live optreden van de zangeres Thisgirlslife Ilona. En van de loempia's van collega dichter Xuan Tran, in Vietnam een beroemdheid en in Dordt uitbater van de loempiakraam op de Visbrug. Vorige week vertelde hij mij dat iemand bezig is zijn gedichten in het Nederlands te vertalen, maar dit terzijde. Het is jammer dat Drechtstad FM niet het budget heeft voor meer informatieve programma's als Studio De Witt en Via Cultura (dat op donderdagavond tussen acht en negen wordt uitgezonden). Met de bezuinigingen op de lokale omroep is de kans daarop erg klein, tenzij de raad tot bezinning komt, maar veel van het rechtse spul dat daar de boventoon voert, draagt de omroep geen warm hart toe.

Het eerste deel van deze brief schreef ik in de bar van kunstenaarscollectief DOOR, op de Voorstraat, waar iedere dinsdag tot en met vrijdag lunchcafé is. Ik ben het weleens zat om thuis te werken en dan zoek ik een café om te schrijven. Soms is dat Visser, soms het Stadscafé, 's zomers bij mooi weer ook wel het terras van Merz (waar schrijven binnen op de een of andere manier nooit lukt) en tegenwoordig regelmatig DOOR. Van de geluiden om mij heen kan ik mij uitstekend afsluiten en DOOR heeft het voordeel dat er gelijkgestemden werken, terwijl je er ook goed kunt lunchen. Bovendien is er een goede wifi-verbinding. Die hebben ze bij Visser en het Stadscafé niet, wat lastig is als ik tijdens het schrijven even iets wil uitzoeken. In het Stadscafé kan ik alleen lekker werken aan het raamtafeltje en dat is nog weleens bezet. Het enige vervelende is het rookverbod, maar tijdens het schrijven rook ik zelden. Wel tijdens het corrigeren van een typoscript of het lezen van manuscripten voor Liverse, maar dat laatste doe ik altijd thuis, waar alles mag dat God heeft verboden.

DOOR is misschien wel het beste initiatief dat de laatste tijd in Dordrecht is ontplooid. Ik zie een paar parallellen met het ontstaan van de stichting Bobby Kinghe, die wij in 1971 oprichtten. Die kwam ook voort uit wat ik maar een kunstzinnige winkel noem. Bobby Kinghe uit het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe van Jan van der Geer en Gerrit de Wolf in de Hofstraat. DOOR uit Van Horen Zien in de Nieuwstraat, om de hoek van de Hofstraat. Beiden zijn opgericht door artistiek begaafde en bevlogen mensen en richten zich op een breed scala van kunsten. Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar het komt er op neer dat ik mij erg thuis voel bij DOOR, ook al ben ik een generatie ouder dan de meeste betrokkenen. Toevallig is een van de medewerksters ook voorzitster van Bobby Kinghe. Onlangs hebben we samen op een bijeenkomst van de gemeente het woord gevoerd namens Bobby Kinghe, hoewel het precies veertig jaar geleden is dat ik het bestuur verliet. Het voelde alsof de cirkel weer werd gesloten.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 4 maart 2016

Foto: auteur.