donderdag, februari 28, 2013

Buiten elke proportie


Oud-burgemeester van Thessaloniki, Papayorgopoulos, is in hoger beroep tot levenslang veroordeeld. Is hij lid van de junta geweest? Was hij leider van een terroristische organisatie, of een seriemoordenaar? Nee. Hij wordt er van beschuldigd achttien miljoen euro uit de gemeentekas te hebben gefraudeerd, samen met twee topambtenaren, die overigens een beduidend lagere straf kregen. Papayorgopoulos ontkent, zegt dat hij er in is geluisd en dat het gaat om een politiek proces. Achttien miljoen euro uit de algemene middelen ontvreemden is een ernstig delict, maar dat rechtvaardigt niet de buitenproportionele en inhumane straf van levenslang. Het vonnis wekt de schijn dat er iemand moest worden geslachtofferd om de groeiende volkswoede over alweer een kortingsronde op de salarissen en de pensioenen wat tot bedaren te brengen. In zo'n geval is de oud-burgemeester van Griekenlands tweede stad en voormalig minister van sport, nog maar net weg uit de politiek, een ideale pion. Ik weet niet of het zo is, maar de volstrekt doorgeschoten strafmaat geeft in ieder geval ernstig te denken.

Ik kom al meer dan vijfentwintig jaar in Thessaloniki, maar nu pas heb ik een nieuwe wandelroute ontdekt, die nota bene bijna voor de deur begint. Je blijkt vanaf de super om de hoek helemaal tot aan het einde van Charilaou te kunnen lopen, over het pad langs de beek die het regenwater afvoert. Een wandeling van zo'n anderhalf uur. Het pad is een soort groen longetje. Je wordt niet gehinderd door doodrijders in auto's of op motoren, wat het lopen bepaald veraangenaamt. Als ik van huis naar het centrum loop, moet ik voortdurend op mijn hoede zijn voor wat er uit de zijstraten komt stuiven. Met een groen voetgangerslicht oversteken is riskant. Verkeer dat afslaat trekt zich zelden iets aan van legaal overstekende voetgangers en er is altijd kans op de spreekwoordelijke idioot die door rood rijdt omdat hij of zij met de mobiel in de weer is. In de bus ben je ook niet altijd veilig. Pas had ik alweer een chauffeur die druk met zijn mobiel zat te bellen en niet hands free. Als ik in alle rust wil wandelen ga ik naar het bos van Seïch-Sou, maar het pad langs de beek is voor af en toe heel aardig. Je hoeft er maar even van af te wijken en er is wel ergens een zaakje voor de ochtendkoffie.

Ochtendkoffie met de krant op een terras zit er voor Vassilis Papayorgopoulos voorlopig niet in, maar ik hoop dat hij zijn zaak tot aan het hoogste rechtscollege gaat uitvechten. Ik hoop dat het vrijspraak wordt. Ik heb hem een aantal keren ontmoet en ik geloof in zijn onschuld. Ik krijg graag gelijk. Het nut van gevangenisstraf valt ernstig te betwijfelen. Er is nog nooit iemand beter van geworden, maar dat is een ander onderwerp. Meent de hoogste rechter uiteindelijk dat een straf terecht is, laat die dan niet buiten elke proportie zijn, zoals nu.

©Kees Klok


zondag, februari 24, 2013

Fenomeen


Als ik Loxias binnenstap zie ik Margot zitten, een oud-leerlinge. Zij heeft vrijwilligerswerk in Vietnam gedaan en nu, met de Griekse crisis.... je weet maar nooit. Ik hang mijn jas op en loop naar haar tafeltje om haar te begroeten. Ze kijkt me verbaasd en een beetje verschrikt aan. Het is een Griekse dubbelgangster. Eentje die wel erg op haar lijkt. Het is mij al een paar keer overkomen dat ik in Thessaloniki een evenbeeld zag van een bekende uit Nederland. Toch lijken de gemiddelde Griek en de gemiddelde Nederlander niet erg op elkaar.

Dubbelgangers, soms is het een griezelig fenomeen. Lupius heeft een neefje dat sprekend op hem lijkt. Toen Lupius overleed, sprak ik op zijn begrafenis. Zijn neefje zat op de eerste rij. Het was alsof Lupius in levende lijve op zijn eigen begrafenis was. Het maakte het spreken niet gemakkelijker. Voor een ander worden aangezien kan akelige gevolgen hebben. Je evenbeeld zou maar net een ripdeal hebben gepleegd, of de vrouw van een psychopaat hebben bekend. Ik heb een neef die sprekend op mij lijkt, maar hij is een kop groter, woont ver weg en is bovendien van onbesproken gedrag. Toch ben ik er niet gerust op. Men zegt dat er in Dordrecht een dubbelganger van mij rondloopt. Ik hoop dat ze hem goed in de gaten houden.

Ik mag dan behoorlijk Grieks spreken, ik zie er met mijn groene ogen en lichte huid allerminst Grieks uit. Toch wordt mij om de haverklap in Thessaloniki de weg gevraagd en meestal door Grieken. Het verbaast mij dat ik die weg vaak nog weet ook, al spreekt men mij natuurlijk vooral aan in mijn eigen buurt, of in het centrum, waar ik goed bekend ben. Eén keer werd mij de weg naar Nederland gevraagd. Ik zat met Stella op de laatste bus te wachten, na een bezoek aan de openluchtbioscoop aan de Stratosboulevard, toen er twee auto's met Nederlandse kentekens stopten. Een Grieks ogende man stapte uit en vroeg iets in gebroken Engels. 'Het mag ook in het Nederlands, hoor,' zei ik, waarna het gesprek vlotter ging. Twee Turkse families uit Alblasserdam, bijna buren dus, die een verkeerde afslag hadden genomen en nu weer richting Turkije koersten. We zetten hen op het goede spoor, maar vroegen ons wel af waarom ze terug wilden door de landen van het voormalige Joegoslavië. Wij reisden via Italië. Veiliger, makkelijker (de veerboot doet een deel van het werk) en niets duurder, want je hebt niet bij elke grens een pet die een paar tientjes verstopt in je groene kaart wil om vlot doortocht te verlenen.

Het is druk in Loxias. Dat komt in deze tijd nog maar weinig voor. 'Margot' heeft kennelijk iets te vieren. Haar gezelschap breidt zich almaar uit. De stamtafel moet helemaal de hoek in. Een mooie aanleiding voor mij om het niet te laat te maken. Ik ben moe. Vanmiddag heb ik de vijf kilometer van het centrum naar mijn huis gelopen, omdat ik geen zin had in een uitpuilende bus en ook niet in een taxi, maar het is wel bijna allemaal heuvelopwaarts. Het hoeft ook niet iedere avond drie uur te worden. Ik neem afscheid en vertrek. Buiten vragen twee meisjes mij waar de Isavronstraat is. 'Daar zijn jullie.' Ze kijken alsof ik hen een oneerbaar voorstel doe en lopen snel door.

©Kees Klok


donderdag, februari 21, 2013

Jammer


Ik zie mezelf nog niet bij Visser met een paar vrienden door de zaak dansen. Dat zou grote verbazing wekken. Tenzij ik stomdronken ben, een staat waarin degenen die me kennen mij zelden zullen aantreffen, want voor de stoppen bij opa Klok doorslaan gaat de ingebouwde veiligheid af en val ik braaf in slaap. Gewoon met de kop tussen de pinda's en salades, in vredige rust. Zodoende heeft een Chinees mij weleens in zijn restaurant bij de Antwerpse haven 's morgens tegen een uur of vijf uit een bord bami gevist. De natuur is soms genadig, al is ze dat maar zelden. In Loxias is het volstrekt natuurlijk dat er in de late uurtjes, wanneer de rebetica de boventoon voert, iemand opstaat voor een chiftetelli of een zeibekiko. Soms gaat het hele gastenbestand met de voeten van de vloer voor een of andere volksdans. Opa Klok doet dan enthousiast mee. Ik ken alleen de chasaposerviko, maar na een fiaaltje tsipouro doe ik welke dans dan ook moeiteloos mee. In zo'n geval spreek ik ineens ook veel vlotter Grieks. Ik vind dat een wonder.

In Utrecht werd ter gelegenheid van Gedichtenweek een gratis dichtbundel met werk van het Utrechts Dichtersgilde op straat uitgedeeld. Het deed mij denken aan de Dordtboeken die een mensenleven lang geleden gratis werden uitgedeeld in de Boekenweek. Gildemeester Chrétien Breukers stuurde een pakketje voor de leden van de Dordtse Dichterskring, een sympathiek gebaar dat erg op prijs wordt gesteld. Het is een mooi vormgegeven, handzame bloemlezing, waar ik bijna dagelijks even in lees. Ik ben poëzieredacteur, geen criticus, dus verwacht van mij geen recensie, maar neem wel van me aan dat er boeiende, bijzondere en verrassende gedichten instaan. De gratis Dordtboeken kosten hier en daar een aardig bedrag in antiquariaten en op boekenmarkten. Over een mensenleven gaat deze bloemlezing, getiteld Het Utrechts Dichtersgilde gaat dwars door de stad, het in die wereld ook heel goed doen, voorspel ik. Om te weten of ik gelijk krijg moet ik minstens 111 worden. Of ik dan nog door Loxias dans of bij Visser verliefd zit te worden op meisjes 'van mijn leeftijd, alleen tachtig jaar jonger' (vrij naar Gerard Reve) is nog maar de vraag.

'Vreemdgaan doe je gewoon,' schrijft Ellen Deckwitz in haar gedicht Vincent. Ik moest aan die regel denken toen ik hoorde van een jonge vriend dat hij vertrokken is bij zijn, nog jongere, vriendin. Een stel dat mij dierbaar is en waarvan ik het erg jammer vind dat ze uit elkaar zijn. Een moreel oordeel heb ik er niet over. Ook niet als er vreemdgaan in het spel zou zijn, wat ik niet weet, maar het is het zoveelste bevriende paar dat uit elkaar gaat en dat verdriet mij. Bijna altijd als vrienden verschillende wegen inslaan verlies je er een uit het oog. Ik wil dat niet, maar het gebeurt vrijwel automatisch. Ik wil eigenlijk dat alles wat goed is goed blijft en nooit verandert. Zoals er in poffertjessalon Visser in feite nooit iets verandert, waardoor het zo'n prettig thuis blijft. Alleen, wat aan de oppervlakte goed lijkt, blijkt dat in de praktijk toch niet altijd te zijn. Een van de vele akelige kanten van de (menselijke) natuur waaraan ik nooit zal wennen.

©Kees Klok


zaterdag, februari 16, 2013

In het voetspoor van...


Alice stuurt mij The Complete Poems and Songs van Robert Burns. Ik ben er blij mee. Het is lang, heel lang geleden dat ik in Schotland het geboortehuis van Burns bezocht. Dat was in 1978. Ik was op doortocht naar de Hebriden, op weg naar Ullapool, vanwaar je naar Stornoway op Lewis kunt varen. Ullapool maakte op mij zoveel indruk dat ik er een gedicht over schreef. Ik had in die tijd als beginnend dichter nog geen uitgever. Ik zette het in Onder Slieve League, een bundel in eigen beheer. Het boekje ziet er niet uit, maar ik vind het vers Middag in Ullapool nog steeds heel aardig. Ullapool was zonovergoten zomers. Op die reis viel nauwelijks regen, ondanks de reputatie van Schotland op dit gebied. De enige dag dat het goot was in Lochmaddy op North Uist, een door en door calvinistisch gat. Op een zondag. In de loop van de dag reed ik naar Lochboisdale op South Uist. Daar zwaait Rome de scepter, scheen de zon en waren de pubs wel open.

Mijn oud-leerlinge Alice is al vele jaren lerares geschiedenis in Schotland. In mijn voetsporen getreden, maar op afstand. Mijn oud-leerlingen verspreiden zich meer en meer over de wereld. Werk, studie of toeval. Zo'n toeval dat Stella en mij bij elkaar bracht in Minneapolis en haar vervolgens naar Dordrecht. Ik ken het toeval van Alice niet, maar een Dordts meisje in de Schotse hooglanden, dat spreekt tot de verbeelding. Nog niet zo lang geleden sprak ik haar toen ze even in Nederland was. Ik vertelde van mijn belangstelling voor Burns en andere Britse schrijvers, vooral uit de 18e en 19e eeuw.

Ik ga mij weer eens terdege verdiepen in de poëzie van Schotlands nationale bard. Daarna wil ik naar Schotland voor zijn brieven en dagboeken. Die kan ik met een handomdraai bestellen, maar ik ben een enthousiast bezoeker van plekken waar schrijvers zijn geboren, hebben gewoond en gewerkt. Zo was ik laatst in augustus in Portsmouth, de geboorteplaats van Dickens, en in december in Londen in een huis waar hij heeft gewoond en dat nu het Charles Dickens Museum is. Eveneens in augustus bezocht ik Steventon in Hampshire, waar Jane Austen woonde. Een van mijn favoriete plekken is Plas Newydd in Wales, het landhuis van The Ladies of Llangollen. Eleanor Butler en Sarah Ponsonby hebben zelf weliswaar geen literaire faam, maar zij ontvingen wel talloze dichters en schrijvers. Het is een plaats waar ik graag terugkom. Ik was in het huis in Grasmere waar William Wordsworth woonde met zijn zus Dorothy, die daar een boeiend dagboek over bijhield. Ik moet beslist een keer naar Dorchester, naar Max Gate, waar Thomas Hardy lang woonde. Misschien moet ik weer eens op reis door Engeland, Wales en Schotland, in het voetspoor van mijn favoriete schrijvers. Bij voorkeur met het vervoer uit de 19e eeuw, de stoomtrein en de postkoets, maar het zal wel een huurauto worden. Van het riante voorschot dat mijn uitgever mij voor deze geheide bestseller gaat betalen. Wie weet kom ik dan nog wel meer oud-leerlingen tegen. Ik weet van Margriet in Londen en van Mariëlle in Oxford. Misschien wordt het tijd voor een oproep op Facebook, maar eerst moet ik even met Heer Uitgever in conclaaf.

©Kees Klok


donderdag, februari 14, 2013

Winterreis


Het is koud in de trein waarin ik van Haarlem naar Dordrecht rijd. Het lijkt alsof de luchtkoeling aan staat in plaats van de verwarming. Buiten vriest het een paar graden, maar de oosterstorm maakt er een pooltemperatuur van. Als de trein een tijd stilstaat tussen de weilanden begint ineens een stem onverstaanbaar te kraken uit een defecte luidspreker. Ik krijg een deprimerend gevoel van armoede en desolaatheid. Het helpt niet dat ik de enige reiziger in de eerste klas ben. De trein gaat weer rijden. Niet eens zoveel te laat komen we aan in Dordrecht, het eindpunt. Over het eindpunt heerst ook de ijzige oostenwind. Ik denk even aan een taxi, maar ga toch lopen. Het is maar vijfhonderd meter. Ik kom net uit de middeleeuwen. Toen kon je van acht euro, zestien gulden zestig, ik weet niet hoe lang leven. De winters moeten bitterkoud zijn geweest. Centrale verwarming was er niet. Niet meer. De Romeinen kenden het principe en pasten het ook toe. Ergens tijdens de volksverhuizingen ging die kennis tijdelijk verloren.

Ik ontmoette in Haarlem een bevriend schrijfster. Het was te guur voor een wandeling. Bij Brinkman op de Grote Markt dronken we koffie en een aperitief. Schuin tegenover Brinkman is een hotel. Een naam is nergens te zien, maar lang geleden heette het De Vergulde Adelaar. Ik heb er eens gelogeerd. Armoedige kamers en een armoedige clientèle. Meer een kip dan een adelaar. Misschien is het nu wel een alleraangenaamst logies. Ik weet dat niet. Ik moest terug naar Dordrecht.

Rillend in mijn kashmirwollen winterjas in de armoede van die trein dacht ik aan De Vergulde Kip. Reizen in het hart van de winter moet je zoveel mogelijk vermijden. Toch was ik in het weekeinde op pad. Zaterdag las ik voor uit mijn boek Op koers bij een Dickensdiner in de buurt van Emmen. Ik overnachtte op een landgoed. De volgende ochtend lag er sneeuw, maar toch reden de treinen op tijd. Dat vertelde ik de bevriende schrijfster terwijl wij aten in Het Goede Uur. Je waant je daar in een vijftiende eeuwse taveerne. Ik weet niet of ze in die eeuw kaasfondue kenden. Wij aten een kaasfondue die naar mij is genoemd. Op haar voorstel. 'Kees-fondue,' dacht ik, 'dat zal wel iets zouteloos zijn uit de keuken van de groenvoerlobby,' maar het smaakte voortreffelijk. Daarna namen we calvados en thee. Ik calvados. Vervolgens moest ik naar het station. De sneeuw was weggedooid, maar de plassen op straat begonnen alweer te bevriezen. Op het station namen wij rillend afscheid. Wij kennen elkaar al heel lang. Later bedacht ik dat haar ogen nog steeds hartverwarmend mooi zijn. Daar schiet je niet veel mee op in zo'n koude trein, maar hartverwarmende gedachten moet je altijd de ruimte geven.

©Kees Klok



maandag, februari 11, 2013

Niki Marangou (1948 -2013)


Eén keer heb ik gebraden duif gegeten. Op Cyprus, in het najaar van 2005, bij de dichteres Niki Marangou. Zij was een van de mensen die ons geweldig hebben geholpen bij het verzamelen van materiaal voor de bloemlezing Wij wonen in een taal, die ik in 2004 met Stella publiceerde. Wij gingen het resultaat op Cyprus bezorgen. Niki nodigde ons bij haar thuis op het eten, in haar paradijselijke tuin in Agios Dimitrios. Ik die tuin liep een nest jonge honden waar wij verrukt van waren. Ooit zouden wij zo'n hond nemen als wij ons voorgoed in Griekenland hadden gevestigd en niet meer voortdurend hoefden te reizen.

Twee jaar na het overlijden van Stella vloog ik naar Cyprus voor een geschiedenisconferentie. Ik was nauwelijks aangekomen in mijn hotel of er arriveerde al een uitnodiging van Niki. Dit keer bracht ik haar de postume dichtbundel van Stella. We aten weer in de paradijselijke tuin. Ook de schrijver Nikos Nikolaou-Hatzimichaïl, een goede vriend, was aanwezig. Na een zonovergoten middag namen wij afscheid. Niki gaf mij een handgemaakt boekje met enkele van haar gedichten. Ik koester het nog steeds. We zouden elkaar spoedig weerzien, op Cyprus of in Thessaloniki. Niki kwam een paar maal naar Thessaloniki, maar toevallig in perioden dat ik in Nederland was. Wel hielden wij contact. Nikos stuurde mij zijn prachtige dichtbundel Διθαλάσσου (Van twee zeeën). Niki maakte een aantal reizen door Turkije en het Nabije Oosten en stuurde mij daarvan kleurrijke verslagen. Ik hoopte dat zij ze ooit zou bundelen. In 2013 zouden wij elkaar beslist ontmoeten. Ik had haar graag op Poetry International gezien, maar daar zijn ze nog nooit op enige suggestie van mij ingegaan.

Vrijdagmorgen keek ik op Facebook. Iemand had een link naar de krant To Vima geplaatst. Ik zag een foto van Niki en dacht 'hé, weer een literaire prijs.' Toen viel mijn oog op het Griekse woord voor omgekomen. Mijn hart stond stil. Tijdens een bezoek aan Egypte is zij om het leven gekomen bij een auto-ongeluk in de buurt van Fayoum. Tot nu toe heeft de Egyptische politie geen verklaring gegeven over oorzaak en toedracht. De Cypriotische minister van buitenlandse zaken sprak van een groot verlies voor Cyprus. Niet alleen voor Cyprus, maar voor het hele Griekse taalgebied en voor de Europese literatuur. Naast een veelbekroond en veelzijdig schrijfster was zij ook beeldend kunstenaar en dramaturg. Ik denk aan die paradijselijk tuin in Agios Domitios en aan de verschrikkelijke leegte zie zij achterlaat.

©Kees Klok





vrijdag, februari 08, 2013

Als een narcis


Soms lijd ik aan wat ik maar oudere herenromantiek noem. Dan denk ik tedere gevoelens te koesteren voor een dame. Niet zelden is die dame 'van mijn leeftijd, alleen dertig jaar jonger,' zoals Gerard Reve dat zo treffend wist uit te drukken. Meestal is de dame in kwestie, eigenlijk nog een meisje, zich van niets bewust. Dat is maar goed ook, vooral voor mijn eigenwaarde.

In 1969 ging ik als jong scholier op bezoek bij Kees Buddingh'. Hij was toen eenenvijftig. Ik vond dat heel oud. Zijn vrouw was jonger, zesenveertig schat ik, en eveneens oud in mijn ogen. Onlangs sprak ik een oud-leerlinge van zesenveertig. Ik vond haar jong, sprankelend en aantrekkelijk. 'Van mijn leeftijd, alleen vijftien jaar jonger,' om nogmaals in de geest van Reve te spreken.

Het komt door onze gekluisterdheid aan het lichaam. Aan wat straks wordt aangeduid als het stoffelijk overschot. Dat veroudert, verwelkt als een bloem en sterft uiteindelijk af. Je hoopt dat dat met zo weinig mogelijk pijn en ellende gepaard zal gaan. Ik ben niet bang voor de dood, wel voor het pad erheen. Terwijl je lichaam de weg van alle narcissen gaat, blijft je geest jong. Een verschijnsel dat al vele malen is beschreven en bezongen, dat voor veel leed zorgt en soms voor wat tijdelijk geluk, als twee geesten zo met elkaar overeenkomen dat het physique niet meer telt.

Bijna veertig jaar geleden, ik was drieëntwintig, trouwde ik met een meisje van negentien. Ze was niet alleen erg mooi, maar ook heel begaafd. Ze kon goed zingen, tekenen en schrijven, maar ze had moeite te kiezen, zodat geen van drieën goed uit de verf kwam. Het duurde niet lang of bepaalde karaktertrekken begonnen te botsen. We hadden nog geen enkele levenservaring, konden het huwelijk niet aan en gingen uit elkaar. Onze geesten bleven jong, tot op de dag van vandaag. Nu is zij schrijfster in een stad niet ver van Amsterdam. Een grootmoeder met een bewogen leven achter zich. Ik ben een stoffige weduwnaar in de provincie. Nu en dan zoeken wij elkaar op en dan kan het zijn dat de passie even opflakkert, maar na zo'n nacht laten wij elkaar weer los. De illusies uit het verleden zijn niet te herleven, alleen te dromen. Wij koesteren een tere genegenheid die behoedzaam moet worden bewaard en ook zijn er diepe loyaliteiten aan het verleden.

Tegen de oudere herenromantiek valt weinig te doen, vrees ik. Je wordt er tegen wil en dank door overvallen. Laatst nog. Dan is het oppassen om je niet te gaan gedragen als de schooljongen die je eigenlijk wil zijn. Langs haar huis fietsen in de hoop een glimp van haar op te vangen, stiekeme briefjes sturen, of, meer eigentijds, bedekte toespelingen op Facebook. Het is van een heerlijke, maar tegelijk deprimerende spanning. Je bent geen zeventien jaar meer en onschuldig vrijen is ook allang een wensdroom gebleken.

©Kees Klok

©tekening: Annemarie Peters




zondag, februari 03, 2013

Een boek dat moet


Er waait een snijdende wind als ik de tuin inloop. Voor vanavond wordt regen voorspeld, of natte sneeuw. De winter, nauwelijks een week geleden door de dooi verdreven, lijkt weer terug te komen. Tja, begin februari, dat kun je verwachten. Daarom heb ik alweer de volgende reis naar Griekenland geboekt. Daar kan het in de winter ook koud zijn, maar doorgaans begint de lente er vroeger dan in Nederland. Ik ga snel naar binnen, waar ik het tweede verslag lees in De Volkskrant van Arnon Grunberg zijn kerstbezoek aan Thessaloniki. Op zijn eerste stuk heb ik gereageerd, maar nu wacht ik eerst deel drie af. Hij laat dit keer een Griek aan het woord die beweert dat Thessaloniki geen parken heeft. Grunberg laat dat onweersproken. Vreemd. Juist al het groen maakt Thessaloniki zo aangenaam. Al jaren ga ik er vaak op zondag een ouzaki halen bij Xarchakos in het park van Chanth, schuin tegenover de Witte Toren. Overal kom je plantsoenen tegen en in veel straten, ook in het centrum, groeien bomen. Voor mij zijn het de tegenhangers van al die lelijke nieuwbouw uit de tweede helft van de vorige eeuw.

Ik leg de krant terzijde en lees de laatste bladzijden van 'Een dagboek in de Griekse crisis' van Roos Mavrikou-Zevenhuizen. Ik ben een liefhebber van ego-literatuur. Brieven, memoires en dagboeken kunnen rekenen op mijn warme belangstelling. Soms valt het tegen, zoals de dagboeken van Arnold Bennett, soms is het wonderlijk meeslepend, zoals het Journal Littéraire van Paul Léautaud. Wat mij in het dagboek van Roos, dat ik bijna in één adem heb uitgelezen, treft is de indringende wijze waarop zij je met het dagelijks leven van een doorsnee Grieks gezin in de crisis confronteert. Het leven op een klein, afgelegen eiland als Skyros is niet dat in Athene of Thessaloniki, maar veel van de alledaagse problemen zijn hetzelfde. Almaar dalende inkomens, stijgende rekeningen en de ene onrechtvaardige, nieuwe belasting na de andere. Of de winter te moeten doorkomen zonder geld om het huis voldoende te verwarmen. Roos kijkt verder dan de stranden van Skyros en is uitstekend op de hoogte van wat er in de rest van Griekenland speelt. Dat maakt haar dagboek representatief. Wie werkelijk wil weten en wil meebeleven wat het betekent om in deze tijd met een jong gezin in Griekenland te leven, moet het boek beslist lezen. Het is ook in een prettig leesbare stijl geschreven, een stijl die de lezeressen van het tijdschrift Flair van de columns van Roos zullen kennen.

De crisis loopt als een rode draad door het boek. Die is de aanleiding om het te publiceren, maar Roos heeft ook oog voor andere zaken. Er staan grappige passages in, zoals die over een bejaarde, Griekse toerist die dacht dat hij op Santorini was in plaats van op Skyros. Er staan ontroerende verhalen in, bijvoorbeeld over een stervend zwerfkatje dat op een bitterkoude winteravond kwam aanlopen, of over het extra leed dat het razendsnel begraven van een overledene kan veroorzaken, omdat het soms onmogelijk is het eiland tijdig te bereiken. Ik weet uit eigen ervaring hoe pijnlijk het is om geen afscheid te kunnen nemen van een geliefde dode. De beschrijving van de doop van haar petekind en van haar jongste dochtertje sterkte mij in mijn opvatting dat het Grieks-orthodoxe doopritueel een vorm van kindermishandeling is. Het boek vermeldt niet of de kerk ook iets doet voor de armen op het eiland, die bijvoorbeeld geen geld hebben voor de elektriciteitsrekening, waaraan de charatz is gekoppeld, de nietsontziende extra onroerend-goedbelasting. Ik zal dat bij mijn volgende bezoek aan Skyros eens navragen.

©Kees Klok


Roos Mavrikou-Zevenhuizen – Een dagboek in de Griekse crisis. Te bestellen bij  



maandag, januari 28, 2013

Welkom Grunberg


In De Volkskrant lees ik dat Arnon Grunberg de kerstdagen in Thessaloniki heeft doorgebracht. Hij is mij dus net misgelopen, want ik was naar mijn familie in Londen. Hij heeft er een artikel over geschreven waarvoor hij vrijwel zeker een gemiddeld Grieks maandsalaris heeft ontvangen, zo niet meer. Dat is een schatting, want ik ken de tarieven van De Volkskrant niet. Hij logeerde in hotel Excelsior, in het centrum. Een prettig vijfsterrenhotel uit het hogere segment. Ik heb er zelf weleens gelogeerd toen ik als deskundige met een groep op reis was. De eenvoudigste kamer kost in de kerstweek tweederde van een gemiddeld Grieks maandsalaris. De vlucht zal hij ook wel niet zelf hebben betaald. Het lijkt alsof ik mij als een zuurpruim beklaag over het snoepreisje van een of andere ambtenaar. Niets is minder waar. Ik vind het alleen jammer dat zo'n investering een stuk oplevert waarvan ik meer analyse en diepgang had verwacht.

Grunberg is geen journalist. Dat is soms een aanbeveling, want journalisten jagen weleens te veel de waan van de dag na. Grunberg is evenmin historicus. Dat is jammer, want anders had hij zijn verslag historisch kunnen onderbouwen en was hij minder om de tuin geleid door iemand als Giorgos Toulas, een meneer die er flink op los babbelt. Grunberg lijkt in die woordenstroom weinig idee te hebben van het onderscheid tussen feit en mening, of liever, tussen feit en vooroordeel. Als schrijver die alleen verantwoording aan zichzelf hoeft af te leggen kun je bij het even aandoen van een stad je pen vrijelijk de loop laten. Zeg je dat je naar het epicentrum van de crisis op zoek bent, dan verwacht ik van je dat je met grondiger observaties komt dan de constatering dat de cafés vol zitten, dat de vrouwen er bijna allemaal bijzonder verzorgd uitzien en dat ook laat op de avond de drukte in het centrum niet afneemt.

Wie de Griekse cultuur kent, kent de term αξιοπρέπια. Dat betekent waardigheid. Een Griek zal onder alle omstandigheden zijn αξιοπρέπια proberen te behouden. Al treft de crisis hem zwaar, toch zal hij bijvoorbeeld niet in vrijetijdslompen naar formele gelegenheden gaan. Zeker de vrouwen niet, die er inderdaad vrijwel altijd goed verzorgd uitzien. Dat is een opvallend contrast met de Nederlandse cultuur, waar het in vodden op een diner, bij een concert of op een receptie verschijnen de gewoonste zaak van de wereld is. In de jaren '90 hadden wij een uitwisseling tussen mijn oude school en een school uit Thessaloniki. Wij nodigden de Griekse en Nederlandse collega's bij ons te eten. Het liep tegen de dertig graden, maar de Grieken kwamen allemaal keurig verzorgd. Een Nederlandse collega wiskunde verscheen in korte broek, in een mouwloos hemd en op teenslippers. Hij had er geen enkel benul van hoe diep hij Stella, wat dat betreft door en door Grieks, daarmee als gastvrouw beledigde.

Grunberg ziet het goed dat Thessaloniki een vreugdevolle stad lijkt. Wat wil je? Twee universiteiten met bij elkaar zo'n zeventigduizend studenten. Ik herinner mij de verhalen van mijn moeder, jong in de jaren '30 van de vorige eeuw, over hoe zij er met haar vriendinnen in 'die rottijd' toch wat van probeerde te maken. Ja, Arnon, de cafés lijken vaak vol, maar ga er eens een paar uur zitten en kijk naar hoe weinig de gemiddelde bezoeker in die tijd consumeert. Grunberg weet niet hoeveel cafés sinds het begin van de crisis hun deuren hebben gesloten en hoeveel winkels ik heb zien verdwijnen. Hij ziet in een boekhandel stapels boeken, maar de grootste distributeur van boeken is in november failliet gegaan omdat het zo goed gaat. Levendig is het in het centrum tot zeer laat op de avond, maar bij lange na niet zo levendig meer als in de dagen voor de crisis.

Ik gun hem zijn uitstapje, maar wie zoekt het epicentrum van de crisis in het casino bij de luchthaven? Wat voor soort mensen denk je daar aan te treffen? Heeft Grunberg aan de dames van het orkestje gevraagd wat ze op zo'n avond verdienen? Vreemd is zijn veronderstelling dat de Griek juist nu meer uitgeeft. Waar zou de Griek dat van moeten doen? Zeker, de kleine, rijke bovenlaag kan nog wel wat, maar wie voor de crisis gerekend kon worden tot de welvarender middenklasse, is tot op het bot uitgezogen door de ene belasting na de andere, door prijsverhogingen, door loons- of pensioenverlagingen, of ze zijn ondertussen werkloos geworden. Ik ken een consultant, met voor de crisis een goedlopende praktijk, die nu zijn maaltijden bij de gaarkeuken van de kerk haalt. Hij is een van de velen. Als Grunberg dat niet weet, moet hij zich beter voorbereiden. Hij bedoelt het niet kwaad en hij schrijft het prettig op, want als schrijver is hij een vakman, maar om zijn lezers iets diepgaanders voor te schotelen dan dit verhaal, zou hij langer in Thessaloniki moeten verblijven. In een periode dat ik in de stad ben. Dan gaan we eens met wat vrienden en familieleden van mij praten over wat de crisis voor hen betekent. Dan gaan we uitzoeken of het allemaal wel waar is wat die meneer Toulas roept. Veel daarvan hoor ik erg vaak aan de borreltafel. Dan gaan we 's avonds leerzame gesprekken voeren in Loxias, een trefpunt van intellectuelen in het centrum dat de schrijver Grunberg zeker niet had mogen overslaan. Dat is echt een misser van de eerste orde. Grunberg zal mijn weblog wel niet lezen en niets weten van de documentaires van Dutch Delta Media, die deels in Thessaloniki zijn opgenomen. Evenmin lijkt hij mijn uitgebreide beschouwing over burgemeester Boutaris in Lychnari te kennen. Dat is een beetje jammer, maar hij is evengoed welkom.

©Kees Klok


vrijdag, januari 25, 2013

Cineast


Anderhalf jaar geleden kocht ik een filmcamera. In de jaren '90 hadden we een video, die we op onze reizen gebruikten, maar toen het ding versleten was en video langzamerhand in onbruik raakte, hielden we het op fotograferen. De komst van digitale camera's en van Youtube maakte het weer de moeite waard om aan bewegende beelden te gaan doen. Ik gebruik die camera vooral als verlengstuk van mijn pen. Dan neem ik een filmpje op waarin ik een gedicht, een vertaling of een verhaal van mijzelf voorlees. Dat zet ik vervolgens op Youtube, waarna de bestellingen bij mijn uitgever binnenstromen. Daarom vind ik ook dat mijn uitgever die camera eigenlijk zou moeten vergoeden uit het reclamebudget. Als het contract voor mijn volgende boek moet worden getekend, zal ik daar eens voorzichtig over beginnen.

Soms loop ik met mijn camera door de stad en spreek ik achteraf een commentaar in bij wat ik aan opnamen aan elkaar heb geplakt. Als ik het geslaagd vind gaat dat ook op Youtube, als een gesproken en bewegend weblog. Op reis film ik indrukken die ik eveneens van commentaar voorzie. Ik heb meer dan vijfendertig jaar in het onderwijs gezeten. Kletsen is mijn tweede natuur geworden. Over Dordt valt altijd wel iets te zeggen en op reis zit ik ook zelden om woorden verlegen. Zo maakte ik impressies van het eiland Skyros en van mijn tweede woonplaats Thessaloniki. Van filmtechniek heb ik geen verstand, maar het programma iMovie op mijn laptop neemt mij veel gedoe uit handen en zolang je maar niet in je blote piemel voor de lens gaat staan of het nudistenkamp filmt, kun je ongeveer alles op Youtube kwijt. Ik ben even kritisch als een rijmelende huisvrouw die het ene poëzieforum na het andere overspoelt met haar creabagger, maar sinds ik een statief heb aangeschaft zijn mijn beelden wel aanzienlijk minder schokkend dan voorheen.

Dordrecht probeert aardig mee te ploeteren in de vaart der volkeren en daarom kent het sinds vorig jaar het DYFF. Dat staat voor Dordts Youtube Film Festival. Het wordt georganiseerd door iDordt, dat tegenwoordig samenwerkt met de lokale omroep. Een paar weken geleden sprak ik de baas van iDordt, bij de presentatie van de debuutbundel van dichter Jan van der Geer. Hij drong er op aan dat ik wat zou insturen voor het DYFF. Ik aarzelde. Vorig jaar werd de prijs gewonnen door Mignon Nusteling. Mignon is creatief, origineel, heeft de techniek in haar vingers en zou zo aan de slag kunnen bij bijvoorbeeld de VPRO. Het verbaast mij eigenlijk dat ze daar nog niet zit. Mijn filmpjes halen het niveau van die van Mignon bij lange na niet, maar de baas van iDordt is een aardige man en bovendien getrouwd met een achternichtje van me. Daarom stond ik gisteren in Het Dolhuis te kijken naar mijn Bach en de raad op straat, dat bleek te zijn doorgedrongen tot de finale. Mijn huisvlijt terugzien op bioscoopformaat was even schrikken. Te lang, de commentaarstem te hard, de achtergrond te zacht. Van die dingen die een vakantiefilmpje zo vervelend maken voor de visite. Een betere film won. Terecht. Ik heb nog een verre neef in Amsterdam, die oprichter is van een filmmaatschappij. Ik ga hem bellen voor wat tips. En verder ga ik nog eens heel goed de filmpjes van Mignon bekijken, want ik blijf wel spelen met die camera.

©Kees Klok


zaterdag, januari 19, 2013

Kaartjes


Je weet het, maar je denkt er nooit aan tot er iets gebeurt: je leven wordt bepaald door plastic kaartjes. Ik ga nu en dan op reis. Ik kom de grens over met een blauw kaartje, kortweg ID genoemd. Als mij daar iets overkomt, hoop ik dat een arts of verpleegster een ander, toevallig ook blauw kaartje van de verzekering vindt. Dan komt alles goed. Indien de ketting van mijn fiets loopt, bel ik een nummer dat op een geel kaartje staat, waarop iemand van de ANWB mij te hulp schiet. Zit ik om geld verlegen, dan steek ik een kaartje in een gleuf en toets een nummer in, waarna ik weer volop de suikeroom kan uithangen. Als ik platzak ben, krijg ik toch drank ik de kroeg, dankzij zo'n kaartje. Ik heb er stapels van. Om gratis het museum in te mogen, om boeken te lenen en om bij FC Dordrecht de punten het doel in te juichen. Een roze kaartje geeft recht op autorijden. Ik heb geen auto meer, maar ik gooi het nog maar niet weg.

Ik heb niet altijd die hele stapel kaartjes bij mij. Daar is geen beginnen aan. Zodoende loop ik regelmatig mijn korting bij de drankboer mis, kan ik naar mijn airmiles fluiten en sta ik soms op het station zonder het kaartje waarmee ik moet 'inchecken' (waarom noemen we dat niet gewoon aanmelden?). Als ik zo'n kaartje voor een paal houdt, doet die paal 'plop,' waarna ik de trein in mag. Vergeet ik een keer te ploppen en komt er controle, dan kan ik een boete krijgen. Als de conducteur een meneer is, lukt het meestal wel mij er uit te kletsen. Bij een conductrice lukt dat vrijwel nooit. Tegen een strenge dame in uniform kan ik niet op.

Vrouwen en meisjes in uniform, daar weet ik soms geen raad mee. Vrouwelijke militairen en agenten roepen een gevoel van diepe treurigheid op. Ik vind ze meelijwekkend. De associatie met geweld, moord en doodslag is mij te sterk. Dordtse vrouwelijke parkeerwachters en toezichthouders kan ik niet serieus nemen, wat komt door de aard van de functie (geen vlees en geen vis), maar vooral door het achterlijke dophoedje dat ze dragen. Stewardessen, die kunnen er soms mee door, al lijken de meeste luchtvaartmaatschappijen vooral uit te zijn op een imago van kuise tuttigheid. Als het toch moet, mag het van mij wel iets prikkelender, maar er komt natuurlijk allerlei volk in je vliegtuig, dus ook de zeikende soort die al een hartverzakking krijgt bij de gedachte aan een aardig decolleté dat tijdens de vlucht je schrale broodje aanreikt of je glaasje sap.

Heel lang geleden had ik een meisje in Engeland. Zij moest in een uniform naar de middelbare school. Het was omstreeks 1900 ontworpen. Zodra de school uitging doken de meisjes achter een muur langs het schoolplein, waarna ze weer tevoorschijn kwamen als normale mensen. Dat gedrag zag ik op mijn school later weleens bij leerlingen van buitenlandse afkomst, maar dan andersom. Die moesten soms in uniform (soeprok en hoofddoek) naar school, omdat hun vader vreesde dat er anders in een café in het dorp van herkomst, ergens vierduizend kilometer ver weg op een berg, schande van zou worden gesproken. Ze kwamen dan wat vroeger, doken het toilet in en verschenen daarop getransformeerd van boerenschreufjes uit het diepst van Anatolië in vlotte, sexy stadsmeiden.

Je bent in Nederland verplicht je ID (of een ander kaartje waaruit blijkt dat je niet je broer of je zus bent) bij je te dragen. Een idee dat stamt uit de bezettingstijd. Vaak laat ik het thuis. Een Dordtse agent die mij niet kent is een beginneling of een suffe lul die het nooit tot brigadier zal brengen. Als ik op reis ben, draag ik het altijd op een vaste plaats. Gisteren bevond ik mij op de luchthaven van Thessaloniki. Ik was net de controle gepasseerd, met alle gedoe van dien. Je half uitkleden, je zakken leeg maken, je door een uniform laten betasten (jammer, weer die vent in plaats van dat strenge meisje) en even triomferen als ze de usb-stick om je nek weer niet hebben ontdekt. Tevreden nipte ik van mijn koffie. Uit gewoonte voelde ik even op de plek waar ik mijn ID draag. Niets! Ineens was ik in blinde paniek. ID weg! Wat nu? Even schoten strenge verhoren, gemiste vliegtuigen en een geldhongerig Nederlands consulaat voorbij. Als een bezetene ging ik door mijn zakken. Hier niets, daar niets... Tenslotte keek ik in mijn reispapieren. Daar bleek het tussen geraakt. Gelukkig was de vlucht vertraagd, zodat mijn bloeddruk weer min of meer normaal was toen wij het luchtruim kozen, waarna een stewardess in een kuis pakje mij glimlachend een glaasje wijn bracht.

©Kees Klok


donderdag, januari 17, 2013

Traditie


's Lands wijs, 's lands eer. Het zal wel, maar soms is dat weleens lastig. Vanmiddag werd ik gebeld. Er is een bekende overleden, een man van negentig. 's Lands wijs bepaalt dat morgen al de begrafenis is, om twee uur 's middags. Negentig jaar leven en dan met een meedogenloze snelheid worden afgevoerd. Vroeger was dat uit nood geboren in een land met lange, hete zomers. Tegenwoordig is het onzin om iemand zo overhaast te begraven dat familie en vrienden die niet naast de deur wonen verstek moeten laten gaan. Een kleindochter uit Athene meldde nerveus dat ze hoopte nog een trein te kunnen halen. Er gaan er maar een paar per dag tussen de miljoenenstad Athene en de miljoenenstad Thessaloniki.

Alsof er geen koelsystemen en allerlei technieken bestaan om een lichaam te conserveren, wordt stug vastgehouden aan wat voor traditie wordt aangezien. In het in wezen conservatieve Griekenland wordt iedere traditie gekoesterd als een groot goed. Deze 'traditie' veroorzaakt soms onnodig leed. Ik heb nogal wat Griekse begrafenissen meegemaakt. Het achteraf bijeenkomen voor een maaltijd, de herdenkingen na negen dagen, na een maand en na een jaar, helpen beslist om verlies te verwerken. Ik heb dat zelf ervaren toen Stella overleed. Alleen de manier waarop soms de riten worden afgedraaid, routineus en gevoelloos, ervaar ik weleens als pijnlijk. De overledene is dit keer een priester. Ik vraag mij af of het nu anders zal gaan, maar ik zal er waarschijnlijk niet bij zijn. De begrafenis is in een dorp ergens in de bergen, twee uur lopen van de dichtstbijzijnde bushalte, en er is voor zover ik weet geen vervoer geregeld. Ik ken niemand om mee te rijden en een taxi heb ik er niet voor over. Daarvoor is de band niet sterk genoeg.

Dat er sprekers zijn op een Griekse begrafenis is minder gewoon dan in Nederland, hoewel het soms voorkomt. Toen Stella werd begraven, vanuit de Agia Sophia van Thessaloniki, las haar broer gedichten van haar voor en voerden een oud-collega en ik het woord. Op haar uitdrukkelijk verzoek. Een deel van de ceremonie is mij toen ontgaan, door de emotie en omdat ik het kerkgrieks slecht verstond. Na afloop reden we naar de begraafplaats, waar een chaotisch gedrang rond de groeve ontstond. Een pope die meer had van een vogelverschrikker dan van een geestelijke, raffelde plichtmatig een riedel af en streek tevreden de twintig euro op, die mijn zwager hem toestak. Daarna snelde hij naar de volgende klant. We hebben hem niet meer gezien. Ook niet bij de herbegrafenis, later in het voorvaderlijk dorp. Toen heb ik de kerk buiten de deur gehouden. De enige pope die indertijd zijn menselijk gevoel toonde, was de man die vandaag overleed. Misschien neem ik daarom toch wel een taxi. Als de chauffeurs niet voor de zoveelste keer staken.

©Kees Klok


dinsdag, januari 15, 2013

Onthand


Er heerst rust in het Schrijfhuis. Buiten is het winters koud. Er is geen mens op straat. Er spelen geen kleine kinderen tot na middernacht in het plantsoen. Dat ligt vol zakken afval. 'Alweer een staking?' dacht ik toen ik van het vliegveld kwam, maar bij navraag blijken nog maar twintig van de zestig vuilniswagens van de gemeente bruikbaar. De rest wacht op reparatie of vervanging. Een jaar geleden schreef ik met een zeker optimisme over de wijze waarop burgemeester Boutaris het enorme afvalprobleem wilde aanpakken. Een jaar geleden... Een paar hoofdstraten worden schoongehouden, de rest van Ano Toumba mag voorlopig stikken in zijn eigen vuil. Het Tweede Programma van de staatsomroep, de zender van cultuur en beschaafde muziek, staat aan. Een engelachtige stem zingt Yasemine, een ontroerend volkslied uit Cyprus. Verder is het vooral heel leeg in het Schrijfhuis. Alles staat erin, er is geen boek of meubel verdwenen, maar de leegte zit in mijzelf. Een gevoel van onthand zijn, een gevoel van: wat moet ik nu? Een paar uur geleden las ik The Island van Victoria Hislop uit. Een boek dat zich afspeelt op Kreta en op Spinalonga, tot eind jaren vijftig een leprozenkolonie. Victoria Hislop kan prachtig schrijven en geweldig vertellen. Ik ken mensen die het boek hier en daar te sentimenteel vinden. Ik niet. Ik vind het aangrijpend. Het is een drama dat zich in iedere familie had kunnen voordoen en het is ongemeen spannend. Daarom had ik het in anderhalve dag uit. Altijd als een boek mij overdondert en meesleept, zit ik daarna met die leegte, met die vraag: wat nu? Dan voel ik mij onthand.

Wie er wel staken, voor de godweet zoveelste keer, zijn de taxichauffeurs. Daarom ben ik vanavond in het Schrijfhuis gebleven. Ik kamp met de naweeën van een flinke griep. Een boodschapje in de buurt kost me nog handenvol energie. Normaal is het dikke uur lopen naar mijn stamcafé Loxias geen enkel probleem, in tegendeel, maar nu wel en reizen in de overvolle bussen, in deze stad van meer dan een miljoen inwoners, die in de jaren zestig de tram de deur uit heeft gedaan, doe ik nu niet. Ik voel mij nog te vatbaar om die brandhaarden van virussen en bacteriën te trotseren. Vorig jaar schreef ik nog met enig optimisme over de aanleg van de metro. Vorig jaar... Het flutlijntje van een handvol kilometers van het station naar Kalamaria, niet eens naar het vliegveld, had allang klaar moeten zijn. Het zal er wel een keer van komen, maar aftakkingen naar de buitenwijken? Ach, die zijn dan misschien toch al in hun eigen vuil gestikt.

Een uurtje geleden keek ik naar het nieuws, maar na tien minuten heb ik de televisie uitgezet. Iedere keer weer diezelfde koppen met hun bombastische bezweringsformules. De sinistere Tsipras, heksje Papariga, die nep-Mussolini van de fascisten, de beeldschermvullende Venizelos, knap in wetgeving om corrupte politici vrijuit te laten gaan, de tot duif gedwongen havik Samaras. Geen types die ik zonder toezicht in mijn huis zou laten rondlopen. De taxichauffeurs staken tegen de zoveelste nieuwe belastingwet, meen ik te begrijpen. Ze weten waar ze het over hebben. Straks hoeft de klant niet te betalen als de chauffeur niet met een bon op de proppen komt. Dat wordt moord- en doodslag, al zijn er ook chauffeurs die wel deugen, zoals niet iedere roomse pater met een kleuter van bil gaat.

De leegte komt vooral door het gemis van Stella. Al vijf jaar en al vijf jaar even sterk. In haar studententijd verhuurde zij in de zomervakantie auto's op Kreta. In Agios Nikolaos, op twintig minuten rijden van Plaka en Spinalonga. Ze had de leeftijd van Sofia, de dochter van de vermoorde Anna, oma van de Londense Alexis. Na haar studie ging Stella naar Londen om haar Engels te perfectioneren. Terwijl ik het boek las begon ik haar nog meer te missen. Ik had ieder dramatisch ogenblik met haar willen delen. Ik had met haar naar Kreta willen reizen en samen op Spinalonga willen rondlopen. Kreta stond boven aan ons lijstje van reisplannen. 'Later, als we met pensioen zijn,' stelden we het steeds uit. Er kwam een einde aan het verhaal, ik moest het boek terzijde leggen. Natuurlijk zijn er nog boeken genoeg en dit ga ik zeker herlezen, zoals ik nog vaak met Stella door onze herinneringen zwerf. Maar niet nu, nu ben ik even onthand en weet ik het niet meer.

©Kees Klok


zondag, januari 13, 2013

Lange dag


Eigenlijk zit ik hier om geld te verdienen. Aan een tafeltje in een eetzaakje op het vliegveld van München, waar een kwart liter eenvoudige rode wijn bijna zeven euro kost, terwijl het maar gewoon zelfbediening is. Ik ben zojuist aangekomen met vlucht LH 2303 uit Amsterdam. Het vliegtuig was ongeveer half vol. Nergens werd naar mijn ID gevraagd. Mijn thuis afgedrukte instapkaart bleek voldoende om in het toestel te mogen. Tijdens de hele instapprocedure geen woord gewisseld. Alles werd door machines geregeld, de menselijke maat in de luchtvaart. Ik was bijna blij dat de controle van de handbagage nog door mensen werd uitgevoerd. 'Heeft u de oplader van uw mobiel bij u?' 'Nee, mevrouw.' O ja, toch wel, dacht ik, maar ik zei het niet. Hij werd niet opgemerkt. Tijdens de vlucht zat ik naast een mevrouw die een uur lang op haar laptop danspasjes zat te bekijken. Een van de twee huppeldames was de dame zelf. Ze was al over de veertig, maar had nog welgevormde dijen. We landden om 12.30u, stipt op tijd. Mijn aansluiting naar Thessaloniki vertrekt om 19.40u. Het is grauw, regenachtig weer. Liever een dagje vliegveld dan een excursie in wind, kou en regen door de stad waar de vriendschap tussen Vanity Mitford en Adolf Hitler zich afspeelde. Ik had een paar uur later van Schiphol kunnen vertrekken. Dan was de vlucht een stuk duurder geweest. Ik kan het luchtvaartwezen niet doorgronden, maar het is vervelend een groot deel van je dag te moeten opofferen om niet te veel te betalen.

Een paar dagen geleden had ik nog flink griep. Mijn beschermengel had het er even bij laten zitten. De koorts is al twee dagen geweken, maar ik griep nog na en voel mij een kruising tussen een natte dweil en een oude krant. Het liefst zocht ik een bed voor een middagdutje. Ik geloof zelfs dat dat kan op dit vliegveld. Slaapcabines waar je een uiltje kunt knappen. Ik loop naar het einde van de G-pier, waar zich inderdaad enkele hokjes van glas en metaal bevinden die worden geadverteerd als napcab. Je kunt er in met een creditcard, maar er is geen mens te zien voor tekst en uitleg en bovendien weet je niet of het wel schoon is en of je er niet een of andere enge, uit een ver werelddeel overgewaaide, ziekte aan overhoudt. Ik ben al vatbaar genoeg. Ik ga terug naar waar ik vandaan kom en vind hetzelfde tafeltje nog onbezet. Dit keer maar een cappuccino met een apfelstrudel.

Een tafel verder gaat een meisje zitten waarvan ik vrijwel zeker weet dat ze Perzisch is, of in ieder geval van Perzische afkomst. Ze straalt een mengeling van waardigheid, beschaving, lieflijkheid en sprookjesachtige schoonheid uit. Een meisje van Perzische adel, zoals Stella van Byzantijnse adel was, met wortels in het laatste restant van het Oost-Romeinse rijk, het keizerrijk Trebizonde, dat in handen van de Osmanen viel. Gewelddadig plebs, warlords, gazi's die het in eerste instantie alleen te doen was om materieel gewin. Ik spreek het meisje niet aan, er is geen aanleiding toe, maar ik vermoed dat haar familie is gevlucht voor het reliplebs dat Perzië nu al zoveel decennia terroriseert.

Als je je vergane tijden voorstelt, komt er meestal enige romantische vertekening aan te pas, hoe goed je ook denkt de feiten te kennen. Als ik aan voor-christelijk Griekenland denk, schijnt altijd de zon en viert men voortdurend het bestaan van Dionysos. De volgelingen van J. van Nazareth, vooral de verknipte geesten uit de zesde en zevende eeuw, zijn de brengers van starheid, bekrompenheid, geestelijke armoe en een wurgend moralisme. Byzantium, door en door christelijk, staat ook voor het uitsteken van ogen, de overweldigende praal van het hofleven en beeldschone edelvrouwen. In Griekenland zien ze Alexander de Grote als een visionaire vorst die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Ik zie vooral een megalomane alcoholist die de belangen van zijn geboorteland volstrekt ondergeschikt maakte aan eigen grootheidswaan. Iemand die ogenschijnlijk iets geweldigs bereikte: een kaartenhuis dat na zijn dood onmiddellijk instortte. Er klopt meestal weinig van die beeldvorming, hoe nostalgisch naar het verleden wij ook kunnen zijn. Wat wel klopt: als ik in de Byzantijnse tijd deze reis zou maken, was ik weken onderweg in plaats van een te lange dag. Ik haal nog wat wijn om de tijd te doden. Wie weet knap ik er wel van op.

©Kees Klok


vrijdag, januari 11, 2013

Sprookjesboek


Wij hadden op de zondagsschool een juffrouw met een horrelvoet, die prachtig kon vertellen. We waren door beiden gefascineerd, maar nog het meest door de verhalen. Die voet noemden wij een horzelvoet, zoals wij ons ook vrolijk maakten over mensen die last hadden van aardbeien. Eén van die verhalen ging over een droom van de farao van Egypte, over zeven dikke en zeven magere koeien. De farao begreep er niets van en zocht naar uitleg. Een tijd daarvoor was een zekere Josef, een Israëliet die door zijn liefhebbende broers als slaaf was verkocht, in het gevang terechtgekomen. Als slaaf kwam hij in huis bij de rijke Potifar, die getrouwd was met Zelikah. Dat bleek een jaloerse en geile dame, die, als de baas van huis was, met Josef in innige verstrengeling wilde verkeren. Ik zou mij, als ze zo mooi was als haar naam, geen ogenblik bedenken, maar Josef bleef netjes van haar af. Misschien was het wel een afstotelijke tang, wie weet. Hoe dan ook, de brave Josef werd valselijk beschuldigd Zelikah te hebben verkracht en belandde in het gevang. Het lijkt sterk op de manier waarop sommige kwaadaardige pubermeisjes wraak nemen op een leraar die weigert een onvoldoende cijfer op te hogen. Zoals Potifar blindvoer op Zelikah, hoe geliefd Josef zich bij hem ook had gemaakt, zo vaart menig schoolbestuur blind op de beweringen van een boos puistenkopje. De aanklacht wordt bijna altijd kritiekloos geloofd en het kost de valselijk beschuldigde en niet zelden zonder enig weerwoord geschorste docent vaak heel veel moeite zijn onschuld te bewijzen. En dan nog is hij voor zijn leven 'besmet.' Ik heb lang genoeg in onderwijsvakbondskringen rondgelopen om daar een dieptreurig beeld van te over te houden.

Het lot was Josef beter gezind dan menig valselijk beschuldigd leraar. In de gevangenis ontwikkelde hij zijn talent als uitlegger van dromen en van lieverlee ontsteeg zijn reputatie de muren van het cachot. De farao hoorde ervan en riep Josef bij zich. Die wist hoe het zat met de koeien: zeven vette jaren en zeven magere jaren. 'Leg in de vette jaren voorraden aan,' raadde hij, 'zodat je in de magere jaren niet verhongert.' Josef, zo'n beetje de eerste econoom ter wereld en één van de zeldzame die niet alleen gelijk had, maar naar wiens raad werd geluisterd. Kom daar tegenwoordig eens om. De farao werd zo geestdriftig dat Josef van gevangenisboef werd gepromoveerd tot onderkoning. In die hoedanigheid kwam het tijdens de magere jaren tot een confrontatie met zijn uitgehongerde broers, die zich als economische vluchtelingen meldden aan de grens. Economische vluchtelingen zijn tegenwoordig niet populair. Vluchten voor kogels of levensbedreigende onderdrukking kunnen we nog net billijken. Vluchten voor verhongering keuren wij ten zeerste af in een Europa waarin de obesische medemens steeds ruimer is vertegenwoordigd. Je zou verwachten dat Josef die etterbroers direct zou terugsturen, maar niets daarvan. Ze mochten binnen en werden nog ruim voorzien ook. Bij zulke verhalen kreeg zelfs de horzelvoet iets moois.

Ik moet denken aan dit verhaal toen ik onlangs bruut werd overvallen door de griep. Ineens lag ik met dik 39º koorts op bed. In de periode daarvoor had ik een ongehoord goede schrijfperiode, waarin het ene verhaal na het andere uit mijn pen rolde. Dat hoor je altijd, dat verhalen uit een pen rollen. Bij mij gaat dat nog op, ik schrijf alles eerst met de hand. Tijdens de griep en de nasleep ervan, waarin ik mij voelde als een kruising tussen een natte dweil en een oude krant, kreeg ik geen letter op papier. Anders dan in Josefs tijd schoot ik er weinig mee op. Van de letteren kunnen de meeste Nederlandse schrijvers niet leven. Altijd magere jaren als je er geen baantje bij hebt. Er kwam mij nog een ander verhaal in gedachten, dat van de krekel en de mier door De la Fontaine. Als krekel had ik de oproep van de huisarts om een griepspuit te halen achteloos terzijde gelegd. Ik was in Griekenland op de dag dat er geïnjecteerd werd en ach, ik had al in jaren geen griep gehad. Het verhaal van de krekel en de mier werd niet verteld op de zondagsschool. Daar hadden ze genoeg aan de bijbel, ook voor niet-gelovigen een van de mooiste en gruwelijkste sprookjesboeken die we hebben.

©Kees Klok


woensdag, januari 09, 2013

Zon


Ik haat de donkere dagen voor kerst en niet alleen omdat het de dagen waren waarin Stella's ziekte meedogenloos toesloeg, waardoor zij op een tweede kerstdag overleed. De reden waarom ik kerst niet meer met een hoofdletter schrijf. Ik haat die dagen ook omdat de late zonsopgang, de vroege zonsondergang en de grauwe schemering daartussen het seizoen van de dood zo nadrukkelijk aankondigen, dat het menigeen te veel wordt. Zo iemand verhangt zich, springt van een brug of voor een trein. Laatst deed ik op een avond drie uur over de rit van Haarlem naar Dordrecht 'omdat we weer een springer hebben,' aldus een conducteur. Op Facebook wordt veel geklaagd over 'springers.' Ik vraag mij ook weleens af waarom die trein en niet een pot pillen of een haak en een touw, maar iemand die zo in geestelijke nood zit, kan zo'n rationele afweging niet meer maken, denk ik. Op het diepst van de donkere dagen is het kerst. Het feest van de gevulde kalkoen en sloten drank. Alle glasbakken in de buurt mudvol. Zijn we daarvan bijgekomen dan breekt de vuurwerkpsychose uit. Miljoenen in rook opgegaan en ik weet niet hoeveel schade door oogletsel, gehoorbeschadigingen, branden en vandalisme.

Na oud en nieuw keert de somberheid terug. De eerste twee weken van januari zou ik willen overslaan. Ze zijn vaak even bedrukkend als de dagen voor kerst. Ja, ik weet het, heel af en toe schijnt begin januari weleens de zon. Dan ligt er sneeuw en is het glad op straat omdat veel Nederlanders te beroerd zijn om hun stoep schoon te maken. Het is aangenaam druk bij de spoedeisende hulp en de media doen nerveus over een elfstedentocht. Meestal is het echter grauw en waterkoud. Ook na de kerst noodt het sommige mensen weleens tot uit het leven stappen. Ik denk aan een oud-leerlinge die dat deed, op de januaridag waarop ik straks naar Griekenland reis. Het land waar het echt crisis is, waar ze het zich niet kunnen veroorloven om zeventig miljoen over de balk te gooien aan ellendeherrie en waar het aantal zelfmoorden van een paar honderd per jaar is gestegen tot meer dan drieduizend. Als er even weinig zonlicht zou zijn als in Nederland, waren het er vast nog meer.

Ik loop over de Reeweg, langs de roomse begraafplaats. Daar ligt ook een oud-leerlinge. Zij werd, jaren geleden alweer, op het metrostation Zuidplein doodgestoken door een gek. Zomaar, zonder enige aanleiding. Ik zie haar nog voor mij in de klas, een sprankelend kind van zeventien met toekomstdromen. Thuis bel ik mijn nichtje in Athene. Zij heeft nog werk en maakt op haar vrije zaterdag een wandeling door het zonnige Pankrati, maar haar stem klinkt bezorgd. Ze vraagt zich af hoe lang het zwaard van Damocles boven het land blijft hangen. Ik heb geen antwoord, maar zeg haar dat van Stella's werkkamer, sinds haar overlijden onaangeroerd en ongebruikt, eenvoudig een slaapkamer gemaakt kan worden. De tijd zal leren of het nodig is of niet. Voorlopig hoop ik op een beetje zon, desnoods met sneeuw als onwelkom bijverschijnsel.

©Kees Klok



maandag, januari 07, 2013

Achterlijk


Om half zes 's morgens word ik wakker omdat er rotjes in de buurt worden afgestoken. 'Ach ja, het is vannacht 2013 geworden,' denk ik. Het zullen een paar stomdronken figuren zijn, of a-socialen. Ik ben niet van de verbieders, wel van de opvoeding en van een zekere matigheid. Ik zie zo'n ouderwets schandblok voor mij, van de pijptabaksreclame van Van Rossems Troost, en daarin die vuurwerkgooier, die wij een paar uur lang bestoken met eieren en rot fruit. Daarna komt alles uitgebreid op Youtube.

'Het lijkt Syrië wel,' schreef ik op Facebook, waarop een moralist antwoordde dat hier geen kogels om je oren vliegen. Ik geloof dat ze daar in Amsterdam-West anders over denken. Als je een vuurwerkbom in de buurt krijgt, waardoor de ruiten springen en de pannen van het dak vliegen, kom je een beetje in de buurt. Je zou maar naar Nederland zijn gevlucht voor het oorlogsgeweld in Joegoslavië en dagenlang dat knallen moeten aanhoren. Joegoslavië, u leest het goed. Ik ben geen liefhebber van al die Kleinstaterei die het resultaat is van het bloedvergieten op de Balkan, eind vorige eeuw. Van mij mag Joegoslavië weer in ere worden hersteld.

Ik draai mij om en slaap door tot acht uur. Dat is voor mij uitslapen. Het was een druk weekeinde. Op de 30e was ik te gast bij Met het oog op morgen. De uitzending was gewijd aan Cyprus. Mijn Afrodite en Europa is het recentste Nederlandstalige boek over de geschiedenis van Cyprus, maar ik was gevraagd om te komen praten over poëzie. Dat vond ik erg leuk, leuker dan het over de recente, vrij treurige, geschiedenis van het eiland te hebben. Die werd nu behandeld door een journaliste die niet erg diep groef en door een oud-Kamerlid van de VVD dat het ene vooroordeel op het andere stapelde, maar geen bliksem van de geschiedenis wist. Presentator John Jansen van Galen las na ons prettige gesprek tot besluit van de uitzending een gedicht voor van Jan Eijkelboom, waardoor de avond een dubbel Dordts accent kreeg.

John Jansen van Galen schreef ondermeer een goed boek over Suriname, Kapotte plantage. Het staat in het Schrijfhuis in de boekenkast. Ik zou het graag eens een keer met hem over geschiedenis hebben. De geschiedenis kwam de volgende ochtend aan bod, toen ik een uur lang te gast was in Goedemorgen Nederland, om over Griekenland te spreken. Er zijn mensen die geloven dat Cyprus voor een deel bij Griekenland hoort en voor een deel bij Turkije. Ik verbaas mij steeds weer over zoveel onwetendheid, zoals ik mij ook steeds weer verbaas dat iemand zo achterlijk kan zijn om om half zes 's morgens met rotjes te gooien.

©Kees Klok



zaterdag, januari 05, 2013

Schoon schip


Volgens de jongste corruptie-index van Transparency International is Griekenland het corruptste land van de EU. Ik kan dat niet controleren. Ik heb zelf in Griekenland tot nu toe niets van corruptie ondervonden, ondanks de legio verhalen van vrienden en familie. Wanneer ik de bureaucratie nodig had vielen mij wel de chaotische burelen op, maar ik werd probleemloos geholpen, zonder dat er een tegenprestatie werd verwacht. De Griekse belastingdienst was zelfs sneller met de afwikkeling van Stella's nalatenschap dan de Nederlandse, hoewel haar belangen in Griekenland lagen en niet in Nederland. Een paar keer had ik informatie nodig van de autoriteiten. Dat duurde soms lang, omdat Griekenland erg centralistisch is en alles meestal via Athene moet, maar tenslotte kwamen de gegevens, zonder de noodzaak van een envelop met inhoud. Maar één keer heeft een hoge ambtenaar zijn belofte om informatie te geven niet waargemaakt. Dat was toen ik een artikel schreef voor Lychnari, over de burgemeester van Thessaloniki, Yannis Boutaris. Niet uit onwil, denk ik, maar door grote drukte, want inmiddels komen de persberichten van de gemeente regelmatig per e-mail binnen. De enige waarmee ik regelmatig overhoop lig, is het gasbedrijf. Een particuliere, maar inefficiënte, bureaucratische organisatie.

Het is niet zozeer de kleine corruptie op het niveau van de gewone burger die wordt bedoeld, denk ik, maar de grote corruptie. Die op het niveau van het Vatopedi-schandaal, de zakkenvullerij door sommige politici (op verdenking waarvan bijvoorbeeld oud-minister van defensie Tzochatsopoulos vastzit), de steekpenningen van het bedrijfsleven, niet zelden van Noord-Europese origine, zoals Siemens. De verontrustende driehoek van mediamagnaten, politieke elite en captains of industry en hun verstrengelde belangen. Steeds weer komen voorbeelden boven van hoe men elkaar de hand boven het hoofd houdt. Niet zelden op grond van onderzoek door buitenlandse journalisten of in het buitenland gebaseerde Griekse verslaggevers. Dat alleen al zegt iets over de onafhankelijkheid van de Griekse media. De doorgaans kritische journalisten van Athens News hebben de internetpagina van het weekblad al sinds half november niet meer bijgewerkt. Wat moet ik daarvan denken? Eind oktober werden twee presentatoren van een aktualiteitenrubriek van NET ontslagen, wegens het stellen van te kritische vragen. NET is een van de drie staatstelevisiestations.

Die grote corruptie doet mij weleens denken aan de dagen van de VOC. Het trotse stokpaard van zelfgenoegzaam Nederland. De eerste Europese onderneming met aandeelhouders. Er is in de geschiedenis nauwelijks een minder sprekend voorbeeld van corruptie en nepotisme te vinden. De VOC en de regentenstand, die het politiek voor het zeggen had, leefden in een innige verstrengeling van belangen. Dat ging goed zolang de economie goed draaide. Toen Frankrijk en Engeland de Republiek in de loop van de 18e eeuw economisch en politiek voorbij streefden, begon het raderwerk te kraken, tot het knarsend tot stilstand kwam. De lucht werd uiteindelijk geklaard door de komst van de Fransen en de Bataafse Republiek. In die 'Franse tijd' werd de basis gelegd voor het moderne Nederland. Dat het in Griekenland zo niet verder kan en dat er radicaal schoon schip moet worden gemaakt is zonneklaar. De vraag is alleen hoe dat proces zich gaat voltrekken. Ik heb geen duidelijk idee, de toekomst laat zich moeilijk voorspellen, maar ik ben er niet gerust op. Omdat het moderne Griekenland altijd een moeilijke verhouding heeft gehad met de democratie, die in feite pas van na de juntatijd (1967-1974) dateert. Omdat de recente geschiedenis perioden van uitzonderlijk geweld heeft gekend en omdat de mensheid zelden iets van het verleden leert.

©Kees Klok


donderdag, januari 03, 2013

Wereldredder


Wat horeca betreft is het vernieuwde Zuidstation van Brussel er niet op vooruit gegaan. Tenminste, niet voor iemand die prijs stelt op een omgeving met een beetje niveau. Minstens dat van een bruine kroeg of een grand-café. Vreettenten genoeg, de ene nog armoediger ingericht dan de andere. Snel je prak of slok naar binnen en wegwezen. Als je uit het achterlijke Nederland komt, waar sowieso nauwelijks meer een station met een echte restauratie is te vinden, is het allemaal pure luxe, maar van een bedroevend platte soort. Ik ben uiteindelijk neergestreken bij Sam's Café, dat weinig van een café heeft. Het is een koffiebarretje waar je ook drank kunt krijgen en waar ik aan een wiebelend tafeltje in de stationshal zit te betreuren dat die aardige achterafbar uit de oude hal aan het modernisme is geofferd. Ik ben inmiddels omsingeld door vier leuke, Spaanse meisjes met vier enorme koffers. Het geeft een beetje gevoel van veiligheid in deze mensvijandige ruimte, waar ik nog drie kwartier moet doorbrengen. Ik heb mij bij het boeken van de Thalys naar Rotterdam een uur vergist. Vroeger stapte je gewoon in de eerstvolgende Beneluxtrein naar Dordrecht, maar ook dat comfort is door de NS verziekt. Ik was ooit een enthousiaste treinreiziger, tot de NS ging vernieuwen en moderniseren, wat voor Dordtenaren vooralsnog alleen maar slechtere en tragere verbindingen oplevert. Ze zouden je na een paar biertjes maar in zo'n akelige sprinter duwen, waarin niet eens een toilet is.

De Spaansen kwetteren er vrolijk op los. Het lijkt wel of ik nog in Londen zit, van waaruit ik zojuist met de Eurostar ben gearriveerd. Een prettige en comfortabele reis. Daar kan de intercity van Amsterdam naar Vlissingen niet tegenop, maar eerlijk is eerlijk, die is goedkoper. Bijna geen stationsrestauraties meer en geen catering in de intercity's. Hollandse karigheid troef. Ja, in de Fyra komen ze met een karretje langs, maar dat is voorlopig zo'n onbetrouwbare verbinding dat ik liever de Thalys neem, waarin het je aan niets ontbreekt. Koffie, thee en een hapje bij de prijs inbegrepen, want ik reis eersteklas op zulke afstanden. In Londen hoorde ik ook veel Spaans, Italiaans en Frans. Soms Portugees en gisteren zat ik in de metro tussen een stel Grieken. Er zongen ook veel talen rond die ik niet herkende, maar het was al met al een prettig, kosmopolitisch concert.

Hoe lang nog, denk ik als ik al die rampberichten lees over stijgende zeespiegels door razendsnel smeltende poolkappen. Ik blijf een optimist. Die Spaanse meisjes kunnen nog op een bergtop gaan zitten als de boel begint onder te lopen, maar wij? Heel Nederland op de Vaalserberg, dat wordt nog lachen. Erg gelachen heb ik ook om die idioten die zich op verschillende plekken op aarde verschansten omdat de wereld op 21 december zou vergaan, behalve het gat waar zij zich hadden ingegraven. Er waren er ook bij die geloofden dat zij daar tijdig door buitenaardse wezens zouden worden opgehaald. Geloven dat de wereld vergaat, het is een zich om de zoveel tijd herhalende psychose. Zeker, de wereld gaat een keer ten onder, omdat onze planeet niet langer tegen een uit haar voegen gefokte mensheid bestand zal blijken. Wie de wereld wil redden moet stoppen met kinderen maken. Ik kijk naar de Spaanse meisjes. Zij wekken bepaalde gedachten die mij doen beseffen dat ik niet voor wereldredder in de wieg ben gelegd.

©Kees Klok