dinsdag, oktober 06, 2015

Poppenkast




Voorpublicatie uit Een zootje ongeregeld. Literair dagboek 1975-1979, dat medio 2016 zal verschijnen bij uitgeverij Liverse:

1976

19 februari:
Nederland wordt sluipend een politiestaat. Gisteren met neef Geoffrey naar de vreemdelingenpolitie geweest waar hij zich moest laten registreren. Hij werd aan een soort van kruisverhoor onderworpen, waarbij nogal intimiderend werd gedaan. Hij kreeg tenslotte zijn stempel, maar wel met de mededeling dat hij diende 'op te hoepelen' als hij niet binnen drie maanden werk zou hebben.

Nog een staaltje van bureaucratie: de poppenkast die de rechterlijke macht opvoert rond onze echtscheiding. Ook al ben je het over alle details met elkaar eens, toch moet een eindeloos ritueel worden voltrokken.

Overal steekt de overheid zijn neus in. Waarom zou je in een bevolkingsregister moeten staan? Wat heeft het stadhuis ermee van doen dat ik wil gaan verhuizen? En wat met mijn geloof of levensbeschouwing?

Gisteren na het tentamen naar The hunchback of the Notre Dâme geweest. Na afloop ontmoette ik Käthe L. (nog even mooi als een paar jaar geleden). Haar verteld van de vacature op school. Misschien solliciteert ze. Met zo'n aantrekkelijke collega zou ik misschien langer in Ambacht blijven.

24 februari:
De Klapjavaan heeft een paar dagen geleden zijn woning in brand gestoken. Volgens Gerard Borst omdat hij opgenomen wilde worden in een kliniek. Gerard zegt dat hij, de Klapjavaan, een zware patiënt is. Wellicht hadden we hem niet zo op zijn nummer moeten zetten, met Nieuwjaar, toen hij met allerlei doorzichtige blufverhalen aankwam.

We gaan niet naar Egypte, maar naar Tunesië. Voor twee weken. Het gezelschap zal bestaan uit Han, Bep, Peter en mij. We logeren in Sousse. Vertrek: 19 juli. Gerrit gaat niet mee. Hij is bang dat het er te warm is en te toeristisch.

27 februari:
Maandag en dinsdag vrij. Het enige goede van carnaval.

Vanavond schaken met het team van Bobby Kinghe in de voorronde voor het Paastoernooi. Dat wordt betaald door De Dordtenaar. Een vreselijke krant, maar daarvoor laten we het schaken natuurlijk niet schieten.

Met hoofdpijn opgestaan. Gisteren te veel wijn op bij Anneke. Ze had Frans gekookt. Een gezellige avond met Geoffrey, Liesbeth de Hoogh, een zekere Florien, Annemarie en Jan Willemse als medegasten. Toen ze een stoel ging halen viel Annemarie van de trap, maar bezeerde zich niet. Maandag gaat Geoffrey aan het werk bij een scheepsverzekeraar, vandaar het feestje.

28 februari:
Ons team heeft zich als tweede geplaatst voor het toernooi. Onze eerste wedstrijd verliep niet zo best (2-2), maar verder hebben we redelijk gespeeld. We waren de enige die 1,5 punt wegsleepte tegen Bibelot, onbetwist de sterkste ploeg.

3 maart:
Eindelijk weer eens een beetje productief geweest. Dat is het voordeel van een paar dagen vrij, wat de noodzaak onderstreept om meer tijd voor het schrijven vrij te maken.

Tijd om aan de volgende Letteriek te gaan denken. Zaterdag met Thijs naar een bijeenkomst van de Dickens Fellowship in Bloemendaal. Dan doe ik dus weinig, maar volgende week zal er getypt moeten worden.

Gerrit en ik zijn bijna klaar met het Cabarettesk Theater. We moeten nog proberen om de laatste scène, over een door het lot en de goklust bepaalde maatschappij, uit te werken. Aanstaande zondag de bijlage met de muzikale begeleiding en wat regie-aanwijzingen maken en dan gaat het de deur uit.

De jonge katten lijken wel een opleiding voor sloper te volgen. Ik zie steeds meer stukjes behang van de muur verdwijnen, steeds meer riet van de bureaustoel en in de bank verschijnen meer en meer pitjes, veroorzaakt door kattennagels. Over drie weken gaan de eerste twee het huis uit. De derde houd ik nog een paar weken, dat is prettiger voor Minet.

Gisteren na de middag is het uit de hand gelopen. Om twee uur met Gerrit naar Peter gegaan, die griep heeft, om eten en bier te brengen. Ik had een briefje op de bel gedaan met het adres waar ik b.g.g. te bereiken was. We zaten goed en wel met de patiënt aan het bier, toen Han en Bep van Gorkom arriveerden. Het werd heel gezellig aan het ziekbed, zodat Han en ik tegen zessen maar Chinees en nog meer bier gingen halen. Na het eten hebben we Peter naar de schaakclub laten bellen met de mededeling dat we plotseling ziek waren geworden en de rest van de avond hebben we gepokerd, geéénentwintigd en gedronken. De zieke onderhield een pendeldienst tussen het bed en de pokertafel. Tegen het einde van de avond begon hij steeds meer op te knappen.


Foto: auteur


woensdag, september 30, 2015

Oude bekenden




Ik wandel over de Singel, langs het gebouw waar in de vorige eeuw het consultatiebureau van het Groene Kruis was gevestigd. Ik heb er vage herinneringen aan. Je werd er geprikt. Tegen difterie, kinkhoest, polio en de pokken. Mazelen, waterpokken en de bof zaten begin jaren vijftig nog niet in het pakket, die heb ik alle drie braaf ondergaan. Uit verhalen van mijn moeder weet ik dat ik als zuigeling tijdens een routine-onderzoek door dokter Soer, de kinderarts, krachtig over de tafel heb geplast. De ondeugd zat er al vroeg in. Ik herinner mij er niets van. Wel staat mij vaag een stokoude man voor de geest, maar voor een pasgeborene is een jongen van twaalf al een stokoude man.

Misschien zit er een cursief in, dacht ik, terwijl ik mijn weg vervolgde naar de rivier, naar de rand van het eiland. Daar bedacht ik dat ik misschien eerst mijn avonturen als zeeverkenner maar eens moest opschrijven. Dat ik nooit zeeverkenner ben geweest, doet niet ter zake. Karl May schreef overtuigend over zijn reizen door het Nabije Oosten, een gebied waar hij nimmer een voet had gezet. Thuis herinnerde ik mij dat ik een oud artikel zou opzoeken voor mijn uitgever. Al zoekende kwam ik een paar exemplaren tegen van het literair-kwartaalschrift de Fonteijne, dat begin jaren tachtig in Dordrecht verscheen. Over nummer 10, gewijd aan C. Buddingh', heb ik al eens geschreven. Ik vond nu ook de nummers 3 en 12. Ooit had ik alle afleveringen, maar die zijn bij het oudpapier beland. Ik zat niet in de redactie, maar werkte af en toe wel mee. Kennelijk heb ik alleen die exemplaren bewaard waar ik zelf in sta.

Kort voor zijn pensionering was ik te gast bij John Jansen van Galen, in het radioprogramma Met het oog op morgen. Een paar keer was ik telefonisch bij deze journalistieke duizendpoot in de uitzending geweest, maar nu spraken wij elkaar van man tot man. Het werd een prettig gesprek over Griekenland. Na afloop bedankte ik hem voor het feit dat hij weleens een uitzending met een gedicht van mij besloot. Dat we eigenlijk sinds jaren 'oude bekenden' waren, daar hadden we geen van beiden enig idee van. Het blijkt uit de Fonteijne nummer 3, waarin drie verhalen van hem zijn opgenomen en een gedicht van mij.

Het spijt me dat ik de Fonteijne niet meer compleet heb. Het was een tijdschrift van zo'n hoog niveau dat Dordrecht het niet aankon. Na enkele jaren werd de kleine subsidie, waarmee de redactie het hoofd net boven water hield, opgeheven. Een stupide vorm van intellectuele kapitaalvernietiging, maar de parel schitterde te fel voor het zwijn. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Mijn volgende wandeling gaat naar het Stadsarchief op zoek naar wat ik gedachteloos heb weggedaan.

Foto: auteur

zaterdag, september 26, 2015

Dromen




Warnaar gaat langs met een vage keelklacht. Zijn huisarts vindt dat hij moet afspreken met een cardioloog. Onzin, denkt hij. Hij komt meer om te worden gerustgesteld dan dat hij hinder heeft. Al die verhalen aan de borreltafel. Kanker zus, kanker zo. Ze jagen je met morbide genoegen voortdurend de stuipen op het lijf.

Als kind hoorde hij over de courante oorlogen: Korea, Laos (dat hij nog altijd associeert met de Vlakte der Kruiken), later Vietnam. Hij heeft daar nog eens tegen gedemonstreerd. Als de waan van de dag weer eens uitgebreid door de ooms en tantes tijdens een verjaardag was besproken, droomde hij 's nachts dat het oorlog was en dat hij steeds weer de dans ontsprong. Zij wel, hij niet. Hij is een geboren geluksvogel, al weet je het maar nooit.

De cardioloog, een ventje in zijn ogen, komt met een onduidelijk verhaal. Hij heeft iets gezien, een kleinigheid. 'Maakt u zich geen zorgen, meneer Warnaar, maar ik heb liever toch nog een inspanningstest.' Hij wil het niet beter weten dan de jongen die ervoor heeft doorgeleerd. Op de hometrainer moeten ze hem voortdurend afremmen. In het weekeinde fietst hij een slordige zeventig kilometer en en-passant hoost hij met een emmer zijn vol geregende kelder leeg. De nacht voor de uitslag komen de oude dromen terug.

Foto: auteur

dinsdag, september 22, 2015

De utopie van Ioannis




Aan de stamtafel van Loxias, trefpunt van kunstenaars, studenten en intellectuelen in het centrum van Thessaloniki, wordt niet altijd over de toekomst van Griekenland gepraat, maar wel regelmatig. We zijn met een man of vijf, de avond is nog niet ten einde. Het gesprek gaat over van alles en nog wat, zelfs over voetbal, want ik kan melden dat ik net bericht heb gehad dat FC Dordrecht alweer heeft gewonnen en het nog steeds goed doet in de eerste divisie. FC Dordrecht kennen ze hier alleen vanwege de voetbalpoel, maar nu ik regelmatig verslag doe van het succes, begint mijn club zowaar een tikje populair te worden. Daarna gaat het over het bericht, dat onlangs de ronde deed, dat oud-minister Zochatsopoulos, die een straf uitzit wegens corruptie, uit de gevangenis was ontsnapt. Een bericht dat bij wijze van grap door een radiostation werd verspreid en dat even een kortstondige consternatie veroorzaakte, omdat eerder al de wegens terrorisme veroordeelde Christodoulos Xyros (meerdere malen levenslang) is verdwenen. Die kreeg verlof voor de Kerstdagen, maar keerde niet terug naar de extra beveiligde gevangenis, waar hij zijn straf uitzat.

Onvermijdelijk komen we daarna op de toekomst van Griekenland, bij de vraag: hoe moet het verder? Ioannis heeft daarover een theorie ontwikkeld. Ooit was hij apotheker in Italië, daarna richtte hij boekhandel Loxias op, die inmiddels is uitgegroeid tot boekhandel, uitgeverij en kafeneion. Een vriendelijke, bedachtzame man, die opvalt omdat hij zelden de opgewonden toon aanslaat waarop Grieken meestal discussiëren. Hij noemt het geval Xyros als een van de vele blijken van het falen van de centralistische overheid. Volgens hem heeft de staat nooit goed gefunctioneerd, al vanaf de onafhankelijkheid niet. Naar zijn mening zou Griekenland een bondsrepubliek moeten worden naar Duits model, met vergaande autonomie voor de deelstaten. De federale regering zou in Larissa moeten worden gevestigd, 'om iets te doen aan dat krankzinnige waterhoofd Athene, waar de helft van de bevolking woont.' Athene zou natuurlijk wel de spirituele hoofdstad blijven, meent hij, dat is door de geschiedenis zo bepaald. De federale regering zou zich voornamelijk moeten bezighouden met de buitenlandse politiek en de defensie.

Hij geeft toe dat zijn idee een utopie is, dat het waarschijnlijk nooit zover zal komen, maar hij ziet het centralisme als een belangrijk obstakel in de strijd tegen corruptie en vriendjespolitiek. 'Hoe zou je het land dan willen verdelen?' vraagt Andreas, leraar muziek op een gymnasium. Daarop blijft hij het antwoord schuldig, zo gedetailleerd zijn zijn gedachten nog niet. Er breekt een hevige discussie uit over de toekomstige deelstaten, gevoerd met een ernst alsof Ioannis zijn plannen al zijn gepresenteerd aan het parlement. Ik houd mij er buiten. Ik ben eerlijk gezegd meer iemand van de pen dan van het mondeling debat. Mijn Grieks is soms ook net iets te ontoereikend om nuances te benadrukken. Langzamerhand komt de avond tot een einde. Ik neem afscheid en loop naar de nabije taxistandplaats omdat het te laat is geworden voor de bus. De chauffeur hoort aan mijn accent dat ik buitenlander ben. Hij vraagt waar ik vandaan kom en hoe ik de toekomst van Griekenland zie. Even ben ik in de verleiding om over die bondsrepubliek te beginnen, maar uiteindelijk doe ik er het zwijgen toe.

Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, zomer 2014

Foto: auteur


zondag, september 20, 2015

Interview




Ik zit op een terras in het centrum van mijn stad, waar ik word geïnterviewd door een oud-leerlinge. Ze zit op een school voor journalistiek en heeft als opdracht 'iemand van een andere generatie' te bevragen over diens gebruik van de sociale media. Op mijn licht gevorderde leeftijd ben ik onmiskenbaar iemand van een oudere generatie. Gerard Reve schreef ooit: 'een vieze, oude man van boven de dertig.'

Mijn sociale media zijn Facebook en Twitter en van die twee vooral de eerste. Ik leg uit waarom ik Facebook gebruik en waarom Twitter er maar zo'n beetje bij hangt. Negenennegentig procent kretologie, emotionele flatulentie en een overvloed aan oppervlakkigheid. De naam Twitter zegt het eigenlijk al. Een enkele keer verschijnt een bericht dat nadere aandacht behoeft, maar in wezen kan ik het missen. Het is dat het niets kost.

Via Facebook houd ik contact met mensen die anders voor misschien wel altijd uit mijn leven zouden zijn verdwenen. Ik maak er ook muziek, om de aandacht te vestigen op mijn literaire bezigheden, want ik kan nu eenmaal niet dagelijks in Amsterdam zitten bij De Zwart of Welling. Ik erger mij aan lieden die van alles roepen zonder zich te baseren op feiten, maar die vooral hun irrationele angsten en onderbuikgevoelens rondtetteren. Ik leg uit dat het hysterische gehijg over de waan van de dag, dat ook in de klassieke media overheerst, de zwarte kant van Facebook vormt. Dat het mij pijnlijk treft als mensen die ik hoog acht en beter zouden moeten weten omdat ze niet onbelezen zijn, zich kritiekloos in die maalstroom laten meeslepen. Ze schrijft het allemaal braaf op. Als we klaar zijn belooft ze mij het resultaat te sturen. Naar de privébox op Facebook, waarvan je je moet afvragen hoe privé privé is.

Foto: auteur



donderdag, september 17, 2015

Seksuele revolutie




Een zomerdag tegen zonsondergang. Het terras van een café met uitzicht over de haven. Een meisje brengt zijn bier. Toen hij in zijn eindexamenjaar zat, was hij verliefd op zo'n type meisje. Hij mocht op schoolfeesten haar drankjes betalen. Er was een ander meisje uit de vierde dat hem aardig vond, maar hij voelde zich te goed voor een vierdeklasser.

Om hem heen woedde de seksuele revolutie, een lang vergeten fenomeen, maar hij was daar geen deel van. Hij hulde zich in een wolk van eigenwaan, die de wereld op afstand hield. Hij leefde voornamelijk op zijn jongenskamer, met zijn boeken, zijn pijp en zijn gedichten. Tot hij als eerstejaarsstudent werd verleid door een leerlinge van een kleuterleidstersopleiding. Ze zocht afleiding voor haar snotneuzen en blokkendozen. Toen het uitging moest hij nog veel bijleren, maar hij is haar altijd dankbaar gebleven voor wat hij als een soort verlossing voelde.

Hij rookt zijn pijp en bestelt meer bier, tot de zon onder is en het meisje uitgewerkt. Ze wordt door haar vader opgehaald. Het water weerspiegelt de straatverlichting. Rond de lampen cirkelen motten en muggen. Een reiger in duikvlucht slaakt een kreet. Een bootje glijdt vrijwel geluidloos onder de brug door. Straks komt de maan, weet hij. Als ze in de auto stapt lacht het meisje even naar hem.

Foto: Wikipedia


zondag, september 13, 2015

Lek boven




Onlangs zette een wolkbreuk mijn tuin grotendeels onder water. Ook de kruipkelder onder de veranda liep vol. De zondvloed duurde drie dagen, toen had de tuinkabouter de voeten weer droog. Een deel is nog steeds te drassig om iets te kunnen doen. Het onkruid wordt voorlopig niet geschoffeld. Dat komt me niet slecht uit. Dordrecht bruist ook in september van de festivals.

Festivals. Ideaal om de waan van de dag even op afstand te houden, maar ook om de aandacht af te leiden van wat iets minder waan is. Dat we in een moeras wonen, bijvoorbeeld. Ik herinner mij de woorden van de koningin, bij de opening van de Oosterscheldekering in 1986: 'Nederland is veilig.' In 1995 moest de Bommelerwaard worden geëvacueerd omdat het rivierwater de dijken bedreigde.

Natuurlijk, het Eiland van Dordrecht is die achterlijke Bommelerwaard niet, ons kan weinig gebeuren, maar wat als het onvoorstelbare ineens voorstelbaar wordt? Als blijkt dat er iets te veel is beknibbeld op het uitroeien van de muskusrat? Of als een van de giftreinen, die iedere nacht op 250 meter van mijn slaapkamer voorbij denderen, uit de bocht vliegt? Hoe krijg je meer dan 110.000 mensen snel en efficiënt over die zeven bruggen (waarvan er vier voor de spoorwegen zijn) of door die twee tunnels? Krijgen we dan allemaal een opblaasbandje uitgereikt met de aanmoediging 'zwemmen maar'?

Daar denk ik niet aan als ik bij een strak bandje sta mee te deinen. De verandakelder is trouwens alweer droog. We hebben het lek lekker boven.

Foto: auteur


maandag, september 07, 2015

Roomser dan de paus




'Heeft u koffie, thee of chocolade genomen?' vraagt de jongeman die een soort kraantje in mijn arm monteert. Ik stel hem gerust. Ik heb mij braaf aan de regels uit de folder gehouden en zelfs de drank een etmaal laten staan, terwijl ik toch met het leukste meisje sinds jaren op kroegentocht was. 'Hoe ouder, hoe gekker,' zou mijn moeder zeggen, al sloeg dat meestal op de medebewoners van het verzorgingshuis, door haar licht misprijzend 'die oude mensen' genoemd.

Hier lijkt de jeugd aan de macht. Twee meisjes zetten mij op een hometrainer en plakken zuignappen op mijn stoer ontblote bovenlijf. Ik herken er eentje als oud-leerling. Als ik ergens op dit eiland ben zonder een oud-leerling tegen te komen, ben ik er waarschijnlijk alleen in gedachten geweest. Ik maak een virtueel fietstochtje, waarbij ze steeds bezorgd vragen of het nog gaat. Het gaat, moeiteloos zelfs. Ik vraag mij af wat ik in deze vreemde Efteling kom doen. Ik heb pas nog zeventig kilometer door de Achterhoek gefietst, waarvan het grootste deel met tegenwind.

Even later lig ik in een soort autopletmachine, die gromt, knarst, zoemt en piept. Door het kraantje is iets radio-actiefs gegaan. Er zijn mensen die denken dat je dan licht geeft, maar ik denk vooral aan een verhaal van Poe, waarin een man wordt geplet door een langzaam neerkomend plafond. Net op tijd word ik gered. Ik krijg te horen hoe laat de volgende attractie begint en dat ik weer alles drinken mag. Er is een bar waar koffie wordt geschonken. Daar blijkt de jeugd het ruimschoots af te leggen tegen grijs, kaal, gebogen en gebrekkig. Ik verschuil mij achter een krant en denk aan mijn moeder.

Foto: auteur


zaterdag, september 05, 2015

Het lucht lekker op




Vanmorgen voorgelezen als dichter van dienst in het programma Studio de Witt van Drechtstad FM:


HET LUCHT LEKKER OP

Ik denk aan de verhalen van Stella's moeder
als baby op de vlucht uit Turkije naar Griekenland
door haar doodvermoeide moeder in de berm achtergelaten
en gered door een stoere broer van negen.

Ik denk aan de verhalen van mijn grootmoeder
over duizenden Belgen die over de zuidgrens stroomden
op de vlucht voor de keizer van Duitsland,
die een paar jaar later over diezelfde grens vluchten moest.

Ik denk aan mijn geschiedenisboek dat schreef
over een tobberd die Willem van Oranje heette,
die vluchten moest voor een wrede Hertog van IJzer
en een raad van bloeddorstige beroerlingen,

maar dat was onvoorstelbaar lang geleden,
eeuwen voordat een andere Oranje halsoverkop
haar heil in Londen zoeken moest voor
een duivel met een tandenborstelsnor.

Ik denk aan het Hongaarse meisje
met dat rare accent in de klas.
Dat kwam vast omdat ze ontsnapt was,
zei mijn vader, uit de klauwen van een rode draak.

De geschiedenis lijkt soms een karikatuur
van zichzelf, een spel van half vergeten
en half manipuleren, een overtreffende trap
van gedocumenteerd leed om snel te vergeten.

Ooit volstonden we met een bedragje gireren,
wat oude kleding inleveren en daarna
pochen aan de borreltafel over
onze legendarische gulheid.

Nu delen we verontwaardiging en afschuw
op Twitter en Facebook,
foto na foto, kinderlijk na kinderlijk,
het kost niets en het lucht lekker op.

Mijn buurjongetje van zeven
zit voor het eerst op voetbal.
Was hij elders geboren, had hij zomaar
voor het oog van de wereld dood kunnen zijn.


©Kees Klok

Foto: https://www.facebook.com/anthoula.izmir?fref=ts




woensdag, september 02, 2015

Open brief aan Dr. K. Dijkhof, staatssceretaris van Veligheid en Justitie



Dr. K. Dijkhof
Staatssecretaris van Veligheid en Justitie
Postbus 20301
2500 EH Den Haag


Dordrecht, 2 september 2015

Betreft: Márcia en Gláucio


Geachte heer Dijkhof,


Dank allereerst dat Marcia, Glaucio en hun moeder in Nederland mogen blijven. Daar ligt hun toekomst en daar zullen zij na hun studie een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van onze samenleving. Ik hoorde het goede bericht terwijl ik met enkele oud-collega's, docenten van de school waar Marcia haar VWO-diploma behaalde, onderweg was om te demonstreren bij het detentiecentrum waar het gezin was vastgezet in afwachting van hun verbanning uit Nederland. Even heerste grote blijdschap, genade had gezegevierd boven recht, zoals het in een beschaafde samenleving hoort.

De vreugde was echter niet ongedeeld, want wat had u besloten? De vader van het gezin moet vertrekken, een hechte familie moet uiteen worden gerukt. Waarom? Op grond van een vage verdenking van oorlogsmisdaden. Het is de Nederlandse overheid niet gelukt om in vijftien jaar te bewijzen dat deze verdenking gegrond is. In Angola bestaan, voor zover ik heb begrepen, geen verdenkingen tegen de vader, het openbaar ministerie heeft verklaard geen redenen te zien tot vervolging, maar kennelijk denkt de IND daar anders over. Hoe is dat mogelijk, meneer Dijkhof? Hoe is het mogelijk dat u op grond van een dergelijke vaagheid besluit iemand het land uit te zetten?

Ik heb zo'n drieëndertig jaar onderwijs gegeven in het vak geschiedenis en staatsinrichting en mijn leerlingen daarbij altijd voorgehouden hoe belangrijk de beginselen van de rechtsstaat zijn. Een van die beginselen luidt dat iemand niet schuldig is voordat hij/zij door de rechter is veroordeeld. De vader van dit gezin is nooit door een rechter veroordeeld, nee, hij is zelfs niet door het openbaar ministerie aangeklaagd. Ik neem voetstoots aan dat u als staatssecretaris mijn mening deelt dat aan de principes van de rechtsstaat niet mag worden getornd. Ik hoop dat u het daarom van het grootste belang vindt dat ook aan de vader van dit gezin recht wordt gedaan. Ik verzoek daarom als betrokken burger van dit land dat u hem per omgaande een verblijfsvergunning verleent, of op zijn minst een grondig justitieel onderzoek laat verrichten naar voornoemde verdenkingen en hem tijdelijk verblijf verleent tot zo'n onderzoek is afgerond.


Met vriendelijke groet,


drs. C.A. Klok,

gepensioneerd senior-docent geschiedenis & staatsinrichting


maandag, augustus 31, 2015

Griekenland & de democratie




In zijn pleidooi voor een dictatuur in Griekenland (de Volkskrant, 26 augustus), zet professor Verbon de wereld op zijn kop. Hij wandelt met zevenmijlslaarzen door de Griekse geschiedenis en concludeert dat de democratie verantwoordelijk is voor de schuldenproblematiek, niet alleen de huidige, maar ook die uit het verleden, toen de staatsschuld traditioneel even onhoudbaar was als nu. Waarom die schuld ook torenhoog was in de tijd dat de koning nog een onevenredig grote, persoonlijke macht had, laat hij gemakshalve onverklaard.

De democratie is de schuld van alle economische ellende, zegt Verbon. Schaf die een poosje af, dan komt alles goed. Hij neemt als voorbeeld de periode van het kolonelsregiem (1967-1974). Toen zat het helemaal snor met de staatsschuld. Naar de rest van de toen uiterst beroerde economische situatie kijkt hij niet en dat het een periode van mensenrechtenschendingen, moord en doodslag was, dat lijkt hem niet te interesseren. Het is een redenering van 'onder Hitler en Mussolini reden de treinen altijd op tijd.'

Waar het in Griekenland traditioneel aan schort is een gebrek aan democratie, of liever gezegd democratische controle, door corruptie, cliëntelisme en een incapabel overheidsapparaat, om maar enkele dingen te noemen. Die problemen aanpakken en dus streven naar meer en een kwalitatief betere democratie is een belangrijke stap in de goede richting. Schuldenproblematiek willen aanpakken via een dictatuur is een irrationele wens terug te keren naar de zwartste bladzijden van de geschiedenis.



donderdag, augustus 27, 2015

Wangedrocht




De Groenedijk is een onlosmakelijk deel van mijn jeugd. Ik genoot op de mulo-Groenedijk mijn klassieke opleiding. Vijf jaar deed ik daar over, omdat in de tweede klas iedere lust tot leren ten onder ging in hormonaal bepaalde opstandigheid en gebrek aan werklust. Ik geloof dat ik dat jaar op mijn overgangsrapport voor mijn beste vak, Engels, dat mij als peuter al met de paplepel was ingegoten, een drie had. Engels spreken kon ik beter dan de leraar, maar op grammatica en spelling keek ik met een kortzichtige verachting, eigen aan mijn leeftijd, neer. Na dat jaar keten hing een verbanning naar koekjesfabriek Victoria boven mijn hoofd. Genoeg om aan te gaan pakken. Drie jaar later slaagde ik met vier negens, twee achten en een zeven voor de echte vakken en met een vier voor wiskunde, maar dat was natuurlijk de schuld van de leraar. Ik bracht het tenslotte na een lange omweg tot doctorandus in de geschiedenis. Mijn tekenleraar eindigde als professor in de economie, want je hebt altijd baas boven baas.

Op mijn dagelijkse wandeling loop ik graag langs het schoolgebouw, dat er nog steeds staat. Het lijkt veel kleiner dan toen wij er als leerlingen rondliepen. Alleen de boom waarachter wij in de pauze stiekum stonden te roken is groter geworden. Als je werd gepakt moest je op woensdagmiddag corvee doen. De meeste herinneringen aan die school zijn goede. De vervelende zijn inmiddels weggeborgen in de kelder van mijn geheugen. Ik heb nog veel vrienden uit die tijd, dat zegt genoeg. Alleen is het met het mooiste meisje van de klas nooit gelukt. In die tijd schaakte ik in plaats van te voetballen.

Vaak liepen we in de pauze de Groenedijk op (de straat helt) naar waar hij eindigt op de Noordendijk. Daar was een snoepwinkeltje. Links zag je dan de enige molen die Dordt resteert, de Kyck over den Dyck. Waar dat snoepwinkeltje stond verrijst op het ogenblik een gedrocht, een monsterlijke bak, die volstrekt detoneert met de omgeving. Zelfs met het weinig fraaie woningblok op de Noordendijk, tegenover het Energiehuis. Er wordt een megabioscoop gebouwd. Afgezien van de vraag of Dordrecht daarop zit te wachten, kun je je afvragen waarom die in 's hemelsnaam zo gruwelijk lelijk moet zijn. Het zal wel met 'functionaliteit' te maken hebben. Het toverwoord waarmee hedendaagse architecten hun onheil stichten. Het ding is nóg lelijker dan de Rotterdamse Schouwburg en de daar tegenover gelegen doos van Pathé.

In zijn boek Mijn Nederland schrijft Geert van Istendael: "Een doos van Tupperware is mooier dan een nieuw gebouw in Nederland." Dat geldt zeker voor dit wangedrocht. Het imago van Dordrecht is er de laatste jaren op vooruit gegaan. We zijn een toeristenstad aan het worden en inderdaad, we hebben bezoekers veel moois te bieden, maar natuurlijk moet de naam van Dordrecht niet te hoog opschieten in de vaart der volkeren. Dan is die gruwel tussen Villa Augustus en het Energiehuis een effectief tegengif.

Foto: auteur



woensdag, augustus 26, 2015

Hond




Mijn dagelijkse wandeling gaat richting Wantijpark. Ik loop de Oranjelaan uit, langs Villa Augustus, en sla de Badweg in, die ik volg tot aan het openluchtzwembad waar ik, met de lagere school, zwemmen leerde van badmeester Van Duinen. Aan een hengel met zo'n vieze, glibberige, leren band om je middel. Wie eenmaal los kon zwemmen moest in het diepe. De zwemles begon altijd om half negen. Vooraf keken wij bezorgd naar het bordje bij de ingang. Dat gaf de temperatuur van het water aan. Zestien graden of minder betekende kleumen, maar wie niet snel genoeg het bad in sprong, werd er door de meester resoluut in geduwd. Daarna sprong hij er zelf bij, zo was hij wel.

In het jongensbad zwommen we gemengd, maar in het meisjesbad mochten geen jongens komen. Daar werd streng de hand aan gehouden. Toen ik een jaar of vijftien was, hing ik op mooie zomermiddagen vaak met vrienden rond op de Badweg, achter het meisjesbad. Ik schreef daar het gedicht Meisjesbad over, dat een favoriet van de recensenten werd. Waarom heb ik nooit goed begrepen, al lijkt het mij terecht.

Ik loop het park in. Het is een milde ochtend na een regenachtige nacht. De bomen druipen nog na. Er is geen wind. Het lijkt meer herfst dan eind augustus. Bij de grote vijver kom ik een groepje vrouwen met honden tegen. Ik ken hen uit Visser. Ze zeggen verbaasd te zijn dat ik zonder hond door het park loop. Ze weten dat ik geen hond heb. Ik doe alsof ik het niet begrijp en maak mij er met een grapje vanaf.

Foto: auteur



maandag, augustus 24, 2015

Dichten


Het strelen van ijdelheid,
het weren van angst,
het bezweren
van wat niet te stoppen is;
het zoeken naar rituelen
van geruststelling,
van toenadering,
maar ook het zagen van een ketting,
het bestieren van eb en vloed;
twijfelen tussen leegtes,
zonder nut of noodzaak
en daar, even maar, om glimlachen,
of niet.

Kees Klok


In: Het is al laat. Liverse 2008.



maandag, augustus 17, 2015

Brieven aan Stella (53)





Lieve Stella,

In een gedicht van André van der Veeke staat een oudere man aan de oever van een rivier, op de plek waar hij als jongeman, die nog alles van de toekomst verwachtte, ook stond. Hij overdenkt zijn leven en is tegelijkertijd nog steeds die jongeman. De cirkel is rond. Ik denk weleens aan dat gedicht als ik een wandeling maak langs de rivier bij Dordrecht, waar ik als kind vaak met mijn grootvader te vinden was. Op 28 juli kwam het weer bij mij op. Toen stond ik bij Pier Head in Liverpool, aan de oever van de Mersey. Ik keek naar de overkant, naar de skyline van Birkenhead op de Wirral. Een paar kilometer verderop ligt het gehucht Hooton, waar ik regelmatig logeerde bij mijn jeugdliefde, Wendy L. Ik herinner mij die tijd als een aaneenschakeling van zomerse dagen en zwoele avonden, al zal het ook weleens slecht weer zijn geweest. Er stond een harde noordwestenwind, de temperatuur was hooguit zestien graden. Eerder herfst dan zomer. Wat een contrast met die bloedhete 28e juli 1990, toen wij trouwden in Thessaloniki.  

Op de 22e juli vloog ik van Amsterdam naar Bristol, voor de jaarlijkse, internationale conferentie van de Dickens Fellowship. Die begon op de 23e, daarom nam ik de eerste avond mijn intrek in het tamelijk luxe Grand Hotel in het centrum. Kamer U20 in Wills Hall, een van de studentenhuizen van de Universiteit van Bristol, was iets minder luxe, maar ik heb geen klachten. Alles was brandschoon, er waren een schrijftafel, een eigen badkamer en een bed waarop ik uitstekend heb geslapen. Het was ook wel aardig om weer even als student te leven. Jammer dat je naar de dichtstbijzijnde pub twee en een halve mijl moest lopen. De huisbar was slechts open van zes tot elf uur 's avonds. Op één middag na goot het iedere dag van de regen.

Op de conferentie heb ik mij uitstekend vermaakt. Het thema was Dickens en reizen. Dat leverde een aantal interessante lezingen op, maar mijn vraag waarom Dickens nooit Griekenland heeft bezocht, bleef onbeantwoord. Het blijft, tenzij er nog eens brieven van hem opduiken waarin hij erover schrijft, een onderwerp van speculatie. Ik heb weleens geopperd dat hij het misschien te gevaarlijk vond, omdat hij met zijn gezin placht te reizen en het Griekse vasteland in die tijd nog wemelde van de struikrovers. Ik zou er trouwens niet van opkijken als die tijd, als gevolg van de voortdurende crisis, nog eens terugkeert.

Na afloop van de conferentie ben ik naar Liverpool gespoord, waar ik drie nachten logeerde in wat ze tegenwoordig een design hotel noemen. Alles ingericht rondom het motief The Beatles, die je nog volop hoort in de Liverpoolse horeca. Ik sliep onder de gestileerde koppen van John, Paul, George en Ringo, in een reusachtig bed, waar je gemakkelijk met zijn vieren in kon. Het personeel was vriendelijk en behulpzaam, maar slecht te verstaan. Allemaal meisjes en jongens uit het Oostblok met schamel Engels wat de uitspraak betreft. In Liverpool scheen de zon, maar ook daar was het alle dagen koud. Ik vroeg mij af wat ik van de stad zou herkennen. Veel, maar toch anders dan in mijn herinnering, waarin ik voornamelijk beroete gebouwen en vervallen pakhuizen vind. Het roet (tot 1968 reden er nog stoomtreinen tussen Liverpool en Manchester) is weg gezandstraald, het havengebied rond het Albert Dock is mooi gerestaureerd. Je vindt er veel horeca en de Liverpool Tate. Ook Pier Head is opgeknapt. Je kunt er nog steeds de 'ferry across the Mersey' nemen, zoals ik met Wendy deed. Voor de replica van de Cavern Club, een soort pretparkachtig ding, heb ik mij laten vertellen, verdrong zich een brigade oosterse toeristen. Ik ben er schielijk aan voorbij gelopen.

Ik ging op zoek naar een boekhandel, omdat ik de volgende middag de trein naar neef Brian in Newton-le Willows zou nemen. In Bold Street vond ik News from Nowhere, een ouderwets links-radicale zaak met Ierse muziek en volop traktaten voor de gestaalde kaders. Ik zag een plank met boeken over de Griekse crisis. Ik had ze graag cadeau gedaan aan Jeroen Dijsselbloem, maar een starre gelovige bekeren met de heilige boeken van een andere leer, is zonde van de tijd. Uiteindelijk kocht ik A Fine Brother. The Life of Captain Flora Sanders, van Louise Miller. Sanders was een Engelse die in de Eerste Wereldoorlog als officier in het Servische leger vocht. Een wel heel zeldzaam exemplaar dus. Brian was er blij mee. Achteraf had ik mezelf ook wel een exemplaar cadeau willen doen, maar mijn koffer was al zwaar genoeg. Het staat op de lijst voor als ik weer boeken in Engeland bestel. Onderweg naar de boekhandel zag ik een Grieks restaurant, Zorbas, waar ik 's avonds heb gegeten. Wat vroeg op de avond, het was nog stil. Ik raakte met de eigenaar (afkomstig van Samos) in gesprek. Even lekker Grieks kletsen in Liverpool. Voor ik wegging schonk hij mij een flink glas tsipouro uit een fles 'die alleen voor vrienden is.'

In mei 2007 waren wij samen met de auto in Newton-le-Willows, toen we uit Schotland kwamen, op weg naar de veerboot in Hull. De keer daarvoor, was dat niet in 1995?, zijn we ook een keer met de auto geweest. Dat betekent dat ik er in 1986 voor het laatst met de trein aankwam. Toch leek het of ik de wandeling van Newton station naar Brian's huis, langs de Legh Arms en via Willow Road, gisteren nog had gemaakt, zo vertrouwd was alles. Bij Brian trof ik John H., die ik voor het laatst had gesproken bij de begrafenis van neef John, in mei 2009. John bezoekt Brian, die zich na een reeks operaties maar heel moeizaam kan voortbewegen, wekelijks, een reis van twee uur met trein en bus. Petje af voor zoveel vriendentrouw. We hebben voornamelijk oude herinneringen opgehaald, dat krijg je als je drie mensen, die elkaar al vanaf hun vroege jeugd kennen, na zoveel jaar bij elkaar zet. Met John voor het avondeten naar de afhaal-Indiër in de Highstreet gelopen. Ook daar is vrijwel niets veranderd. Er is een barretje bijgekomen, maar The Blue Lion, de fish-and-chips-boer, The Pied Bull en apotheker Jolly (die man moet zeker negentig zijn) zitten er nog steeds. Toen ik vroeg in de avond de sneltrein terug nam, stapten drie nogal schaars geklede jongedames in, die overduidelijk een avondje op avontuur gingen in Liverpool. Ik ben maar een coupé verder gaan zitten, met het dagboek van Arnold Bennett.

Zodra ik terug was op het Eiland van Dordrecht, keerde ook de zomer weer. Op een zonnige vrijdagavond zagen we FC Dordrecht geïnspireerd winnen van Volendam. Dat leidde tot een even geïnspireerde derde helft en moeizaam opstaan de volgende morgen. Gisteren hoopten we op een reprise in Emmen, maar dat mocht niet zo zijn.

Ik ben een paar uur in de tuin gaan werken. Ik heb hem ik de laatste tijd wat verwaarloosd. Te veel andere dingen om handen, waaronder de redactie van het boek van Roos Mavrikou-Zevenhuizen, het tweede deel van haar dagboek over de Griekse crisis. Daarnaast is op mooie dagen het terras van Visser ook verleidelijk. Mooie dagen zijn echter wat schaars deze zomer. Zojuist ben ik door regen alweer uit de tuin verdreven.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 15 augustus 2015

Foto: Kees Klok


vrijdag, augustus 14, 2015

Bedrijfsleven




Ik sta weer op de Rotterdamse Willemskade, tegenover het kantoor van Rijnvaartrederij Königsfeld, op de hoek van de Maasstraat. De rederij bestaat niet meer, opgeslokt door de Holland Amerika Lijn. Toen ik er werkte, waren twee containerlijnen aan het bedrijf toegevoegd, op Noord-Spanje en op Finland. Ik werkte er van oktober 1970 tot mei 1971. Assistent-expediteur heette het baantje, dat schromelijk werd onderbetaald, maar ook niet zo heel veel voorstelde. Ik zat regelmatig over de Nieuwe Maas te staren. Het was er niet ongezellig, verschillende collega's rookten net als ik pijp, hoewel sigaretten de norm waren. Er stonden een ratelende telex en een prehistorisch fotokopieerapparaat. Op maandagen ging het over voetbal. Over Feyenoord en DFC. FC Dordrecht werd pas een jaar later geboren.

Ik kan niet zeggen dat ik het slecht naar mijn zin had. Na een tijdje vakken vullen in de supermarkt van mijn tante leek het magere loontje een ongekende luxe en er werd niets van gezegd als ik af en toe te laat kwam of te vroeg vertrok. Ik kreeg zelfs een getuigschrift waarin ik 'een nauwgezet medewerker' werd genoemd, maar veel inspiratie ging er niet van uit. Zonder spijt verliet ik het kantoorleven, waar ik niets meer mee te maken wilde hebben. Deels door die ratelende telex, deels door de waarschuwingen van mijn vader: 'Ik ben mijn hele leven ongelukkig op kantoor geweest.'

Het bedrijfsleven. Instinctmatig schuw ik het. Ik wil niet beweren dat het onderwijs een vetpot was en ook niet dat het een ideale werksituatie bood, maar als de deur van de klas eenmaal dicht was had ik met de inspectie, de pedagogische faculteit en de doorgedraaide wereldverbeteraars van de lerarenopleiding niets meer te maken en voer ik mijn eigen koers. Tussen de klippen door en met succes. Nooit gestrand of schipbreuk geleden. Ik had in het bedrijfsleven misschien miljonair kunnen worden, zoals klasgenoot R., alles behalve een cultuurdrager, maar wel een klerenkast vol boerenslimheid, scherend langs de grenzen van het toelaatbare. Hij rijdt weleens langs het terras van Visser in zijn Porsche. Altijd met een of andere schoonheid naast hem, maar nooit met een gulle lach op zijn gezicht. Ik lach nog iedere dag. Vooral als ik terugdenk aan alle lol die ik had met mijn leerlingen.


maandag, augustus 10, 2015

Zondag in Dordrecht




Het is een milde zomerzondagmiddag. Ik ben onderweg naar de stad, zoals wij het historische centrum tussen de rivier en de stadsgracht noemen. Dat en de negentiende eeuwse uitbreidingen, voor zover aan de goede kant van de spoorlijn gelegen (mijn kant), is het echte Dordrecht. De rest is bijzaak. Je vindt er van alles: veel groen, ziekenhuizen en het stadion van FC Dordrecht, de leukste profclub van Nederland, maar geen prachtcafé als Visser. Een café dat zich poffertjessalon noemt. Dat alleen al is uniek.

Ik sla een hoek om, de straat in waar jarenlang een ongetrouwde zus van mijn moeder woonde. Als zij op vakantie was, ging ik de planten water geven. Toen zij overleed moest ik de nalatenschap regelen. De papierwinkel ligt nog in mijn werkkamer. Ik moet die zooi nodig de deur uitdoen, maar dan zul je zien dat de belastingdienst langskomt met iets wat is blijven liggen. Tante is tenslotte pas in 2009 gestorven. Voor haar deur zit een stokoude man op een tuinstoel te slapen. Zijn voeten in gezellig ouderwetse pantoffels. Van die ruitjes. De voordeur staat wijd open. Ik kan zo binnenlopen om te zien wat er van tante's huis is geworden, sinds zij in 1998 vertrok, maar ik heb een afspraak.

Er lijken meer toeristen in de stad dan mensen die op de koopzondag afkomen. De helft van de winkels is gesloten. De Heere is nog steeds niet helemaal uitgewoed. Ik heb niets met de Heere en dat is, ik weet het zeker, wederzijds. Als ik op het terras verschijn is de spannende dame, met wie ik heb afgesproken, nog nergens te bekennen. Het begint zachtjes te regenen, al voorspelde de weerman van niet. Ik vraag mij af wat ik vervelender moet vinden.

Foto: auteur

vrijdag, augustus 07, 2015

Nummers




Ik ben hopeloos in het onthouden van namen. Heb ik van kinds af aan al gehad. Zoiets is niet handig als je veel onder de mensen komt en zeker niet als je in het onderwijs werkt, wat ik een tijdje heb gedaan. Ik behielp mij met een plattegrond van de klas, waarop ik alle namen invulde, maar ik was voor een zekere mate van vrijheid-blijheid en dat betekende dat de leerlingen na enige tijd mochten gaan zitten waar ze wilden. Dan riep ik Mien tegen Kimberley en Henkie tegen Wesley. 'Ze moesten jullie een nummer geven,' mopperde ik als er protesten kwamen, 'die kan ik wél onthouden.'

In de jaren 1968-1970, net na de late middeleeuwen, vree ik met een meisje uit een gehucht nabij Liverpool. Ik ken nog steeds haar telefoonnummer uit het hoofd: 00443272071. Een oud nummer, want later heeft de Britse telefoondienst haar aansluitingen met een hele reeks cijfers uitgebreid, dus bellen is zinloos.

Het geheugen is een mysterieus en buitengewoon onbetrouwbaar fenomeen. Een paar jaar geleden werd ik heftig omhelsd door een oud-leerlinge, die mij na jaren op straat tegenkwam. Een heel verhaal: geëmigreerd, gepromoveerd, aan de zwier met een verkeerde man, maar toch weer op de pootjes terechtgekomen en van haar schreden teruggekeerd. Nadat ze was uitverteld en afscheid had genomen, vroeg ik mij af met wie ik in 's hemelsnaam nu weer had staan praten. Een naam vragen doe ik zelden, dat is mijn eer te na. Ik herinnerde mij nog wel de plaats waar ze meestal zat in VWO 6, dat ik haar buitengewoon aantrekkelijk vond en weleens de pest in had dat ik vanwege de professionaliteit en de wet mijn handen thuis moest houden. De omhelzing kwam een beetje te laat, maar daaraan wen je als je op zekere, gevorderde leeftijd raakt.


Foto: auteur


woensdag, juli 29, 2015

Toekomst





Ik sta aan de oever van de Mersey, die zich nabij de monding verbreedt tot hij voorbij New Brighton oplost in de Ierse Zee. Het is juli, maar het lijkt herfst. Een felle noordwestenwind, wolkenvelden, soms even de zon, maar dan weer een korte, striemende regenbui. Ik herinner mij het Engeland van de lange, warme zomers, terwijl ik in het oosten de schittering zie van de opslagtanks bij Ellesmere Port. Van zachte zomeravonden waarop ik hand in hand met Wendy L. door de lanen rond Hooton wandelde, die achter de donkere contouren liggen van Birkenhead, aan de overkant van de rivier.

We waren kinderen, kinderen met een toekomst. Van de hare weet ik niets. Alle contact verloren en misschien is dat maar goed ook, als ik zie wat de tijd met ons heeft gedaan. Geen spoor meer van het haar dat tot mijn schouders hing en met dat embonpoint heb ik wel wat weg van Mr. Pickwick. Laat alsjeblieft dat droommeisje mijn herinnering blijven, met die prachtige, lange benen en gulzige mond. Het weekeinde voor ik terug moest naar Nederland zou ze zich aan mij geven, maar de natuur greep in en de hoofdpijn was niet gespeeld.

Ik loop naar het monument voor de zeelieden die omkwamen in de Battle of the Atlantic. Herdenkingsplaquetten uit verschillende landen, ook van de Nederlandse marine en koopvaardij. Op de conferentie waar ik net vandaan kom, trok ik 's avonds op met George, eenennegentig, stoer als een eik en vol verhalen over de oorlog, waarin hij als achttienjarige werd meegesleurd. Bij het afscheid zeiden wij overtuigd 'tot volgend jaar.' Wij blijven kinderen met een toekomst.

Foto: auteur