maandag, oktober 22, 2012

Nachtmerrie


Het is een bijzondere plek, Loxias. Een combinatie van café, boekhandel en restaurant. Ook al heeft de boekhandelstak onder invloed van de crisis wat ingeboet, boeken kopen kun je er nog steeds. Meest op bestelling, maar dan zijn ze ook binnen een of twee werkdagen in huis. Griekenland heeft bij mijn weten geen Centraal Boekhuis, maar Y. heeft zijn logistiek goed in de hand. Ik ben er vroeg in de middag heen gegaan, omdat Blacky (Dimitris Sklivanos) zou spelen. Rebetica, maar vooral eigen composities. Ik herinner mij de sfeervolle avonden toen hij regelmatig in januari en februari speelde. Die gingen soms door tot in de heel kleine uren. Vandaag is hij echter weer vertrokken. De zaak was bijna leeg (waarschijnlijk door het prachtige weer, waarvan iedereen voor het invallen van de winter nog wil genieten) en voor een bijna lege zaak speelt hij niet. In de loop van de middag kwamen verschillende fans langs, die weer teleurgesteld vertrokken. Ik verwacht vrienden en ben gebleven. Loxias veranderde in een leeskabinet, waarin ik in alle rust The Dickensian las. Daar heb ik na zesendertig jaar lidmaatschap van The Dickens Fellowship nu eindelijk maar eens een abonnement op genomen. Ik had dat jaren eerder moeten doen, maar voortschrijdend inzicht schrijdt soms langzaam voort.


Ondertussen is Loxias opnieuw veranderd, nu in een alternatief voor het schrijfhuis. Er zijn wat klanten binnengedruppeld, maar die laten mij aan mijn hoektafeltje ongemoeid. Ik schrijf, pijp en rode wijn onder handbereik. Mijn gezelschap is laat, maar in dit rustoord, midden in het hectische centrum van de stad, is dat geen bezwaar. De kok van een naburig restaurant is vóór zijn dienst even binnengewipt en speelt zacht op de gitaar die altijd gebruiksklaar aan de wand hangt. Ineens hoor ik Nederlands. Twee dames die wat willen eten, maar alleen aan het balkontafeltje. Dat is niet vrij. Loxias kan vele gedaanten aannemen, maar zich niet in bochten wringen.


Zijn sympathiekste gedaante is die van toevluchtsoord, waar je je kunt afsluiten voor de waan van de dag. Van de voortdurende demonstraties om de hoek. Van het getetter op de televisie. Dag in dag uit van die heren en dames, die elkaar vanuit verschillende venstertjes op het beeldscherm hun oplossing voor de economische crisis toeschreeuwen, zonder ooit naar elkaar te luisteren. Er komen ook geen Afrikaanse, Pakistaanse of Chinese straatventers, door wie je elders bij voortduring wordt aangeklampt. Mensen waarmee ik wel te doen heb, maar die ik ook niet kan helpen. Soms voel ik een zekere solidariteit met die misleide gestranden. Ze zijn het mikpunt van de neo-nazi's, die zich steeds opener, brutaler en gewelddadiger op straat vertonen. En een mikpunt, dat zijn wij kunstenaars, intellectuelen, redelijk en democratisch denkende mensen straks allemaal. Tenzij de regering wat doet, maar die lijkt radeloos en de politie lijkt het allemaal wel best te vinden. Straks slaat dat nazi-tuig Loxias kort en klein. Dat is een van mijn nachtmerries.

©Kees Klok


zaterdag, oktober 20, 2012

Onder de palmen


In zijn brieven schrijft Willem Walraven (1887-1943) regelmatig: 'Niemand wandelt ongestraft onder de palmen.' Ik moet daar aan denken omdat ik zie dat ik zelf bijna onder de palmen zit. Bij café Ianthos in de 25e Maart-straat, waar ik weleens eerder ben geweest met de dichter Thanasis Georgiadis. Toen werden we bediend door twee beeldschone meisjes. Er loopt nu een andere juffrouw. Ook erg mooi. Thessaloniki is beroemd om haar vrouwelijk schoon. Niet voor niets zochten veel Byzantijnse keizers een bruid binnen haar muren. Ik kom zelden in deze buurt, die al gauw een mijl of drie buiten de oostelijke stadspoort ligt. Ware het niet dat de stadspoorten al lang geleden zijn opgeofferd aan de moderniteit. Evenals de tram en de bootverbindingen met de omliggende kustplaatsen. Niks geen boottochtjes meer naar het strand van Agia Triada of van Epanomi, zoals in de dagen dat Stella jong was. Wie geen auto bezit mag zijn leven wagen in een taxi, of in een doorgaans overvolle en stikbenauwde stadsbus stappen. Lekker aanschurken tegen zwetende medepassagiers. Ze hebben wel airco, die bussen, maar er rijdt altijd een handvol onnozelen mee die de ramen openzetten, waardoor de luchtkoeling niet meer werkt.






De palmen zijn mooi, maar moderniteit leidt niet zelden tot lelijke gebouwen en ongemak. Het openbaar vervoer werd in de jaren zestig onder de vlag van de vooruitgang door een stel kortzichtige stadsbestuurders overgelaten aan aan het inmiddels geheel inadequate systeem van buslijnen. Daardoor is de auto mateloos populair, waardoor het stadscentrum volledig is volgeslibd met blik, dat uit noodzaak of uit een gebrek aan sociaal besef, kiest u maar, op de trottoirs en dubbel of tweedubbel wordt geparkeerd. Als invalide heb je met je rollator of rolstoel in Thessaloniki niets te zoeken, want een valide wandelaar kan vaak al niet tussen de, op nauwelijks een centimeter van elkaar neergezette, auto's door. De sinds diezelfde jaren zestig uit de grond geschoten nieuwbouw is meestal niet om aan te zien. Thessaloniki is in een paar decennia onvoorstelbaar gegroeid. Het is een plofstad geworden. Zonder tram en zonder metro. Aan die metro wordt gewerkt. Naar het zich laat aanzien met grote tussenpozen. Hij zou in 2010 gereed zijn. Het zou mij niets verbazen als het 2020 wordt, vooral nu het rijk op zwart zaad zit.





Ik ben op weg naar een wetenschappelijke conferentie met de plofstad als onderwerp: The Transition of Thessaloniki, 1912-2012. Vandaar dat ik mij zo ongebruikelijk ver buiten het centrum bevind. Geen wetenschap zonder dat er iets bij te drinken is, is echter mijn motto. Vandaar dat ik eerst nog even ben neergestreken in dit café met de palmen. Dat moet ik de stad geven: overal bomen en groen, parkjes en plantsoenen. En een aantal fraaie Byzantijnse monumenten. Dat maakt de lelijke kant dragelijk en de sfeer toch aangenaam. Voeg daarbij de legendarische schoonheid van Thessaloniki's Levantijnse vrouwen en de talloze theaters en etablissementen zoals Loxias of Peinkipos en je wilt hier niet snel weer vertrekken. Dat neemt niet weg dat de lokale politici in het verleden veel te vaak onder de palmen hebben gewandeld. Daarvoor wordt de stad gestraft met een achtste bijbelse plaag: de auto.

©Kees Klok




woensdag, oktober 17, 2012

Tegenwicht


Waarom wordt mooie, Keltische harpmuziek bijna altijd gespeeld door mooie meisjes? Is dat toeval of worden alleen stukken door elfachtige schoonheden op Youtube gezet? Of word je misschien vanzelf mooier als je die muziek speelt? Zoals sommige bazen van lieverlee op hun hond gaan lijken? Ik vraag mij dat soort dingen weleens af als ik aan mijn bureau zit, aan de zuidoostelijke rafelrand van Europa, waar de late avondzon nog even naar binnen valt, voor het in snel tempo donker wordt. Die rafelrand, met zijn overweldigend natuurschoon, veelal gastvrije bevolking en aangenaam klimaat, begint sombere contouren te krijgen. De ruim voorradige zonneschijn kan de sfeer van doem en ondergang niet helemaal verhullen. De voortdurende demonstraties, vaak door kleine groepjes, de Stalinistische KKE van heksje Papariga voorop, en de vele stakingen, maken de situatie er niet beter op. Zeker niet nu de neo-nazi's van de Gouden Dageraad overal hun tentakels proberen uit te slaan, zonder dat hen ogenschijnlijk iets in de weg wordt gelegd.

Premier Samaras, leider van de partij die mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van de Griekse crisis, vergeleek de ontwikkelingen onlangs met die in de Weimar Republiek. Ik ben het zelden eens met deze havik, die zich ooit, als minister van buitenlandse zaken onder Mitsotakis, ontpopte als een onverzoenlijke nationalist. Met Weimar heeft hij echter een punt. Na de Eerste Wereldoorlog waren het vooral de wraakzuchtige Fransen die doordreven dat Duitsland diep werd vernederd, economisch werd leeggeplunderd en een oorlogsschatting kreeg opgelegd, waarvan iedereen die geen Fransman was begreep dat deze nooit kon worden opgebracht. Uiteindelijk werd, nadat het Franse leger in 1923 zelfs het Ruhrgebied bezette en er een onvoorstelbare inflatie uitbrak, een gunstiger regeling getroffen. De Duitse economie begon zich te herstellen, tot onverantwoordelijke en kortzichtige zakkenvullers in de bandeloze Amerikaanse bankwereld de crisis van 1929 in gang zetten. Het werd een wereldcrisis. Economische ineenstorting en ressentiment voedden in Duitsland de groei van extremistische partijen, die van de communisten en de nazi's. Door toedoen van een zichzelf overschattende conservatief, Von Papen, trokken de nazi's aan het langste eind. In 1933 kwam Hitler, voor de kinderen van Goebbels 'oom Adolf,' aan de macht. Pappend en nathoudend Europa liet het gebeuren, tot 'oom Adolf' in 1939 in Polen een stap te ver ging.

De geschiedenis herhaalt zich nooit op dezelfde wijze, maar situaties kunnen wel op elkaar lijken. In de vigerende crisis treffen we allerlei bekende elementen: het onverantwoordelijke, onvoldoende aan banden gelegde, internationale bankwezen, een Griekse overheid waarbij vergeleken die van de Weimar Republiek een gespierde kerel was. Verder een pappend en nathoudend Europa en zichzelf overschattende politici, altijd een maatje te klein. De economie krimpt pijlsnel en er is ressentiment, veel ressentiment, over de desastreuze eisen van EU, ECB en IMF aan Griekenland. Al vanaf het eerste begin was duidelijk dat het land daaraan nooit zou kunnen voldoen. Daarbij komt dat ik nog steeds verhalen van vrienden hoor over hun ervaringen met corrupte artsen en ambtenaren. De pakkans is nog steeds klein, al probeert de overheid meer op te treden. Erg efficiënt lijkt dat vooralsnog niet te gaan.

Onderweg naar Loxias, een uurtje te voet heuvelafwaarts, kom ik veel kapotte verkeerslichten tegen. Een kleinigheid misschien, maar tekenend. Ook in mijn stamcafé gaan de zaken niet best, maar toch hoop ik op mooie muziek van Hadzidakis, of van geniaal componist en politiek warhoofd Theodorakis. Het liefst zou ik er af en toe ook Keltisch harpspel horen, voor het tegenwicht.

©Kees Klok



maandag, oktober 15, 2012

Dat gaan we zeker doen!



Steun de schooltjes op Skiros!


De Nederlandse Roosmarijn Mavrikou-Zevenhuizen woont sinds 2007 op het eiland Skiros, samen met haar Griekse man en hun twee dochtertjes. Over de harde realiteit van de Griekse crisis waarmee ook haar gezin te maken heeft, schreef ze vorig jaar het boekEen ‘vreemde’ kijk op Griekenland.

Nu, bijna een jaar later, zijn de zorgen in Griekenland alleen maar groter geworden. En dat blijft ook op Skiros niet onopgemerkt. Door de bezuinigingen hebben onder andere de schooltjes op het eiland het moeilijk.

De twee kleuterschooltjes en het kinderdagverblijf op Skiros hebben samen een budget van 4500 euro, dat wordt toegekend door de Griekse overheid. Misschien wordt het budget in de loop van het schooljaar nog wat verhoogd, maar in de huidige economische situatie is dat enorm onzeker.

Iedere  school krijgt nu voor een schooljaar 1500 euro, waarmee alles moet worden betaald. Dit bedrag gaat in zijn geheel op aan vaste lasten. Alleen de stookkosten van een schooltje schommelen al rond de 1500 euro, nu de prijs van stookolie op Skiros 1,74 per liter is. In een winter verstoken de schooltjes ongeveer 1000 liter. Voor lesmaterialen en basismateriaal als papier en kleurpotloden blijft dus geen geld over.

Roosmarijn wil materialen en geld inzamelen om iets aan deze tekorten te doen.  Met het geld wil ze kasten, stoeltjes, tafeltjes en speelmateriaal voor de kleuterschooltjes kopen. Mocht er nog budget overblijven, dan zal dat gebruikt worden voor andere schoolgebonden zaken (bijvoorbeeld stookolie om de lokalen te verwarmen,  als  dit uiteindelijk nodig blijkt) en activiteiten.  Deze kosten worden nu afgewenteld op de ouders, die zelf vaak ook  in financiële problemen zitten.

Hoe graag we ook zouden willen, de crisis in Griekenland kunnen wij niet oplossen. Maar gelukkig zijn er wel lokale initiatieven, zoals deze actie van Roosmarijn, die een verschil kunnen maken. Kleinschalig, concreet en transparant. Alle beetjes helpen!

Help de kinderen op Skiros en steun de actie op rekeningnummer 6142149 tnv Vereniging Steun de Schooltjes op Skiros /  IBAN: NL 22 INGB 0006142149 (voor buitenlandse donaties)


Dit bericht is overgenomen van:

http://parakalo.wordpress.com/2012/10/12/steun-de-schooltjes-op-skiros/


zaterdag, oktober 13, 2012

Andries Knevel-belasting


Het is even wennen als je van de rust van Skyros terug bent in het kabaal van Thessaloniki. Ja, ook op Skyros rijden bijna alle brommers en motoren met een ondeugdelijke knalpijp en ook daar scheuren de meeste automobilisten rond als een dolleman met meestal een mobiel aan het oor, maar het zijn er maar een paar en geen duizenden. Ik sta bij de halte van bus 14. De verkeerschaos en de herrie stuiten me tegen de borst. Doorgaans laat ik het stoïcijns aan mij voorbij gaan, maar de overgang is iets te plotseling. Alsof je vanuit een schemerige kamer ineens het felle zonlicht instapt.

Als ik in de bus zit, hoor ik de chauffeur druk praten over de mobilofoon. De zoveelste protestdemonstratie blijkt aan de gang. De bus moet een andere route volgen. Rondom mij veel geïrriteerde reacties. Een meerderheid van de passagiers lijkt de voortdurende poreia, in veel gevallen georganiseerd door de KKE, de Stalinistische splinter in het parlement, of een of andere vakbond, spuugzat. De alternatieve route blijkt ook verstopt. Halverwege stap ik uit. Ik ga wel lopen. Zo ben ik sneller dan de bus en bovendien is het heuvelafwaarts. Zo kom ik toch nog niet al te veel te laat op mijn afspraak op het terras van een café aan het Agia Sophiaplein, waar we om de drie minuten worden lastiggevallen door een bedelaar of een venter van nephorloges of tassen van een vervalst merk. Ook dat bleef ons op Skyros bespaard.

Zo lang als ik in Thessaloniki kom zie ik bedelaars en straatverkopers met prullaria, maar de laatste jaren heeft hun aantal zich razendsnel vermenigvuldigd. Dat heeft veel, zo niet alles, met de economische ineenstorting van Griekenland te maken. Ik heb te doen met die mensen die wanhopig proberen wat geld bijeen te scharrelen en met al die misleide Afrikanen, die thuis hebben gehoord dat Europa een paradijs is en hier in de afbrokkelende rafelrand van ons continent zijn gestrand, maar als ik ieder van hen een halve euro geef, kan ik volgende week zelf met papieren zakdoekjes de terrassen langs.

Het is een christelijke deugd aalmoezen te geven. Ik ben niet van de bijbelse sprookjeswereld, maar ik geef iedere dag iets aan één bedelaar en één straatmuzikant. Was ik een aanhanger van de vader van J. van Nazareth, dan moest ik geloven dat ik daardoor straks in de hemel steeds een plekje opschuif in de richting van bedoelde vader, naast wiens troon een zetel is gereserveerd voor Andries Knevel, de model-christen van Nederland. Ik noem die twee euro per dag mijn Andries Knevel-belasting.

©Kees Klok


dinsdag, oktober 09, 2012

Bij het graf van Rupert Brooke


Ik rijd in een huurauto over een slingerende bergweg door een totaal verlaten landschap. Van mensen verlaten. Geiten zijn er te over. Ze schieten weg achter rotsblokken en steken soms pal voor de wagen de weg over. Ik rijd op een sukkeldraf. Vanwege die geiten, maar vooral vanwege het ravijn aan mijn rechterhand. Het uitzicht is adembenemend, maar die paar honderd meter steilte zijn nog veel adembenemender. Uiteindelijk begint de weg te dalen en kom ik bij een kruising. De keuze is rechtdoor of rechtsaf. Rechtdoor loopt uit op een geitenpad in een kaalgevreten streek met nog nachtmerrie-achtiger ravijnen. Ik ben daar geweest, zij het vooral in boze dromen. Ik sla rechtsaf, een weg die afloopt naar zee, met links olijfbomen. Aan het einde weet ik een marinebasis, waar ik niet binnen mag. Zodra het toegangshek in zicht komt stop ik. Links van de weg is een rotsig pad dat leidt naar het graf van de Engelse dichter Rupert Brooke, in 1915 tijdens de Eerste Wereldoorlog aan boord van een Brits transportschip gestorven. Een half jaar geleden kon ik het niet vinden, want een richtingbord neerzetten is te veel gevraagd van de gemeente Skyros. Nu is het, met behulp van Google Street View, wel gelukt.

Ik loop het pad af. Op afstand hoor ik de bellen van de geiten. Het graf ligt tussen de olijfbomen. Het terrein er omheen is goed onderhouden, evenals de tombe zelf, wat mij verbaast op zo'n afgelegen plek. Ik lees op de steen het eerste couplet van Brooke's gedicht The Soldier:

If I should die, think only this of me
That there's some corner of a foreign field
That is for ever England. There shall be
In that rich earth a richer dust concealed;
A dust whom England bore, shaped, made aware,
Gave, once, her flowers to love, her ways to roam,
A body of England's breathing English air,
Washed by the rivers, blest by suns of home.

Ik voel mij geraakt als ik de tekst hardop lees. Omdat ik hier natuurlijk met Stella had moeten staan, maar ook door de zinloosheid en de domheid van al dat heroïeke gebral dat door de hele twintigste eeuw echode en nog steeds niet is verstomd. Door het gezwaai met vlaggen, het aanbidden van heldendom, het getetter van God zij met ons, door die veile trots op afkomst en vaderland. Brooke overleed aan een bloedvergiftiging. Niet iedere soldaat stierf in de oorlog in een heldenrol. Veel gingen gewoon dood door ziektes of domme pech. Daar hoor je weinig over.

©Kees Klok




donderdag, oktober 04, 2012

Pottenkade


Op zondag 1 oktober 2011 voer ik op een fluisterboot door de havens van Dordrecht. Het was prachtig zomerweer, de laatste mooie dag van het jaar. Een vader zwom met zijn kinderen in de Wolwevershaven. Op verschillende plekken werden we onthaald op poëzie of muziek. Vanaf een kade, uit een aanpalend raam of vanaf een brug. Een operazangeres zong op de Pottenkade, de meest romantische kade van de stad, met begeleiding van het carillon van de Grotekerk. Het grootste carillon van Nederland, al kan dat een chauvinistische vergissing zijn. Tweeënveertig jaar eerder liep ik met mijn vijftienjarige, Engelse geliefde over de Pottenkade. Er moet nog een foto van zijn. Ik heb er in de loop der jaren vaak gewandeld, al dan niet vergezeld van een geliefde. Tijdens een bezoek aan Lissabon zakte de dichter Herman de Coninck plotseling in elkaar. Hij stierf in de armen van een collega-dichteres. Lissabon is een stad om in te sterven, zeker voor een dichter, maar als mijn tijd gekomen is zou ik op de Pottenkade willen doodgaan. Op een stralende dag, in de armen van een muze. De rest van 2011 was het vrijwel dagelijks onuitstaanbaar Hollands weer. Grauw, winderig en waterkoud, al moesten we tot februari wachten op de echte winter.

Soms onttrek ik mij aan dat onuitstaanbare weer door een tijdje naar Griekenland te gaan. In het voor- en najaar is het daar meestal volop zomer, al zitten er in het noorden, waar ik mijn basis heb, weleens een paar mindere dagen tussen. Een week zonder zon is echter nogal bijzonder, laat staan maandenlang staalgrijze luchten en groen uitgeslagen stoeptegels. Een paar dagen nadat ik vader en kinderen in de Wolwevershaven zag zwemmen, landde ik op de zonovergoten luchthaven van Thessaloniki. Het liep tegen de dertig graden. Toen ik de thuisblijvers belde om te zeggen dat ik veilig was gearriveerd, hadden zij het over storm, hoosbuien en de tuin die weer eens onder water stond. Blijmoedig begoot ik de cactus op het balkon, niet geheel vrij van een tikje leedvermaak. Ik reisde in de dagen daarop met een gezelschap over het vasteland. Van Thessaloniki naar Ioannina, vervolgens naar Meteora en via Delphi, de Navel van de wereld, naar Athene. Daar namen we, na genoten te hebben van alle natuurschoon en de heerlijkheden die Griekenland te bieden heeft, afscheid. Ik stond op de stoep bij het Herodion hotel om het gezelschap, dat per bus naar het vliegveld ging, uit te zwaaien. Naast mij stond Katerina, onze gids, die alle schoonheid van Nederlandse en Griekse vrouwen in zich verenigde, maar ook niet kon voorkomen dat er, net toen de bus om de hoek verdween, een ongehoord zware regenbui losbarstte. Diezelfde dag begon een wekenlange staking van de vuilnismannen, die Thessaloniki, waar ik naar terugkeerde, veranderde in een gigantische, walmende en stinkende vuilnisbelt.

Ik dacht tijdens die staking, die op een bepaald ogenblik een serieuze bedreiging werd voor de volksgezondheid, aan een vervroegde terugkeer naar Nederland, maar er zouden daar nog genoeg ellendige, donkere dagen voor kerst komen en hoe het ook riekte en walmde, smeriger dan de vervuilde lucht boven Nederland en het aangrenzende roergebied kon het nooit worden. Bovendien heeft de bijbelse figuur Job het ook lang volgehouden op een mestvaalt, maar in dat boek lopen vrijwel zonder uitzondering zonderlingen rond. Daarbij kwam dat de zon dagelijks de problemen verzachtte en café Loxias, het mooiste van Thessaloniki, tot diep in de nacht vertreding bood. Ik ben van het slonzige, oude wijf dat Thessaloniki heet gaan houden, maar of ik er ook dood wil gaan? Thessaloniki heeft van heel veel dingen veel meer dan Dordrecht, maar het heeft geen Pottenkade. Dat is een essentieel verschil.

©Kees Klok




dinsdag, september 25, 2012

Eigen risico


Onlangs stapte ik tegen half negen 's avonds de deur uit om even bij vrienden koffie te gaan drinken. Omdat de dagen korter worden, was het al donker. Door dat donker liep een man op mij af. Een donkere man, die met zachte stem 'goedenavond' zei. Hij gaf mij een brief. De postbode op zijn zeer verlate ronde. Ik kan mij de tijd herinneren dat de postbode 's morgens langskwam en daarna in de loop van de middag nog een keer. Tegenwoordig moet je blij zijn als er een postbode komt en als die kan lezen en schrijven. Vooral lezen. Nog niet zolang geleden hadden we een vaste buurtbode en op zaterdag een bijklussende student. Nu zie je steeds iemand anders, die soms niet eens weet in welke straat hij of zij aan het bezorgen is, of die een probleem heeft met het uit elkaar houden van de postcodes. Ik ken nog wel een paar capabele bestellers, maar die zitten tegen de pensioengerechtigde leeftijd. Als die opstappen of er bij de volgende reorganisatie uit worden gegooid, is de verloedering van wat eens onze door en door betrouwbare PTT was compleet. Ik groette de vriendelijke man terug en zag dat hij de brief op het juiste adres had bezorgd. Even voelde het of ik een lot in de loterij had gewonnen.

Vanmorgen was er een longarts op de radio, die fulmineerde tegen het roken. Ik dacht aan Theodoros, een longarts die ik weleens spreek in een Grieks café. Altijd met een sigaret. 'Onzin,' zegt Theodoros, 'van roken krijg je geen longkanker, maar als je er aanleg voor hebt, is het wel een katalysator.' In de correct bezorgde brief schrijft het ziekenfonds dat het eigen risico fors omhoog gaat. Na de longarts kwam er een andere gezondheidszorger, die pleitte voor een verbod op frisdrank, omdat daar te veel suiker in zit. Zelfs in frisdrank light. In ieder geval moeten van hem de frisdrankautomaten onmiddellijk de scholen uit. Wij hadden op de middelbare school geen frisdrankautomaat. In de pauzes liepen we naar de kruidenier op de Noordendijk of naar de bakker op de Singel. In de drukte vergaten we weleens iets af te rekenen en onderweg rookten we een peuk, want dat mocht niet in de nabijheid van de school. Dat krijg je van verbieden. Puddingbroodjes waren overigens populairder dan cola. Cola raakten we nauwelijks meer aan nadat de scheikundeleraar een keer had laten zien wat het met roestige schroeven deed. Ik ken een paar mensen die worstelen met hun gewicht. Toch slaan ze liters cola per dag naar binnen, waarbij zij zichzelf bedotten met het predikaat 'light.' Dan kan er nog wel een glas extra naar binnen, denken ze.

De enkele keer dat ik geen alcohol drink, pers ik een paar verse sinaasappels, want ik ben een model gezondheidsfreak. Ik begin de dag met een bakje Brits paardenvoer in magere melk, loop of fiets een uur, eet weleens een druif of een aardbei en rook bij de koffie ontspannen een pijp of een sigaar. Ook bak of braad ik alles wat ik bak of braad in olijfolie. Griekse olijfolie, die ik voor een heel schappelijke prijs koop bij de slager op de Reeweg Oost. Op een dag ga ik dood. Wanneer en waaraan moet nog blijken. Het kan het verkeer zijn, een vliegtuig dat te vroeg naar beneden komt of het keukentrapje, maar het zou mij niets verbazen als het de gore industrielucht boven Nederland zou zijn. Een van de zwaarst vervuilde luchten ter wereld. Het is lang geleden dat ik daar een longarts, een frisdrankvermaner of een andere gezondheidsapostel over heb gehoord.

©Kees Klok


zondag, september 23, 2012

Wereldgeschiedenis


In 1566 braken er op een aantal plaatsen in de Nederlanden hevige rellen uit, waarbij een hysterische menigte kerken vernielde en plunderde. Zij gingen de geschiedenis in als de Beeldenstorm. Ik moest daar even aan denken toen ik het nieuws hoorde over de rellen in het Groningse Haren. Natuurlijk zijn de twee gebeurtenissen niet met elkaar te vergelijken. Niet qua omvang en niet qua oorzaak. In 1566 was de oorzaak gelegen in grote ontevredenheid over stijgende voedselprijzen, religieuze onderdrukking en een centrale overheid die steeds meer invloed probeerde te krijgen, waardoor plaatselijke belangen in het geding kwamen. Hoe zit dat in 2012? Er wordt in de media almaar geroepen dat het crisis is. Het gaat economisch even wat minder, maar ik kan mij niet voorstellen dat dáárdoor een troep vuurwerk en dranghekken smijtende idioten een klein professorendorp nabij Groningen binnenvalt. In 1566 was het vooral het getetter van de fundamentalistische kansel, die de aanleiding vormde. Nu blijkt dat een door een nietsvermoedend schoolmeisje op Facebook geplaatste uitnodiging te zijn geweest. Je zult maar zestien worden en zo'n horde relschoppers, sensatiezoekers en kwaadaardige gekken op de stoep krijgen.

Wat wel min of meer te vergelijken is, is de reactie van de overheid. Voor de zoveelste keer baste de scheidende minister van justitie de mantra 'onacceptabel, lik op stuk, snelrecht, strenge aanpak.' Het antwoord op de Beeldenstorm was de hertog van Alva. De 'ijzeren hertog' met zijn Raad van Beroerten (de bloedraad) en het onthoofden van de graven van Egmond en Hoorne. De reactie daarop was een gewapende opstand (die uiteindelijk leidde tot de onafhankelijkheid van Nederland). Een harde hand met een onvoorzien resultaat en weinig geslaagd, als je het bekijkt door de ogen van de wettige vorst, Filips van Habsburg, beter bekend als Filips II. Of de mantra van de minister van justitie een herhaling van de slag om Haren kan voorkomen, zal de tijd leren, maar ik vermoed dat het gezwatel over de snel reagerende, harde hand, weinig zal uithalen. Een gebrek aan beschaving verhelp je niet met strenge straffen. Ik sta ook niet klaar met een panklare oplossing, maar meestal leidt een harde hand alleen maar van kwaad tot erger. Je zult het tuig meer beschaving moeten bijbrengen, of het, zoals de Romeinen deden, moeten voorzien van meer brood en spelen. Misschien moeten we wel allebei doen. Op zaterdag naar de gladiatorengevechten en op zondag naar het museum voor de cursus Genieten van het impressionisme.

Ik was mij op de avond van de rellen overigens van geen Haren bewust. Ik hoorde pas de volgende morgen de ophef in de media. Ik zat braaf in het café en sprak daar met R., die mij vertelde dat zijn schoonvader iets hoogs bij de Duitse Kriegsmarine was geweest. Zijn vrouw had als klein meisje nog bij Hitler op schoot gezeten. We kwamen op de theorie dat een mens maar een paar handdrukken van de groten der aarde verwijderd is, al is die benaming voor Hitler eigenlijk te veel eer. 'Ik zit dus maar drie handdrukken bij Hitler vandaan,' sprak ik, 'en maar twee van de koningin, via een bevriend burgemeester. Evenals van haar moeder, via mijn oom Arie, die haar als ingenieur bij de waterstaat verschillende keren de hand schudde. Via mijn Engelse oom, die bij de RAF zat, zit ik ook nog eens drie handdrukken bij Churchill vandaan.' Zo ging het nog een tijdje door, tot het wat minder helder werd aan mijn firmament. Als ik een achterlijke relschopper was geweest, was ik misschien ook wel naar Haren gereisd, maar ik ben rustig naar huis gesjokt, tevreden in het besef dat ik mij in het middelpunt van de wereldgeschiedenis bevind.

©Kees Klok


vrijdag, september 21, 2012

Altijd herfst


De herfst komt eraan. Dat merk je aan het korten van de avonden. Nog even en die vervelende wintertijd begint weer. De wintertijd is een valse tijd, met bedrieglijke duisternis als het nog licht zou moeten zijn, of hooguit schemerig. Bijvoorbeeld als ik voor het avondeten van de stamkroeg naar huis wandel. Je merkt het ook aan het bladafval in de tuin. Bomen en struiken beginnen aarzelend te verkleuren en in de winkel verschijnen de eerste, nog veel te vroege, kruidnoten. Gretig genieten we van elk vleugje nazomerweer. Iedere zonnestraal kan de laatste zijn. Dat geldt altijd en overal. Die fatale val van het keukentrapje kan ieder ogenblik plaatsvinden, maar dat besef begint zich pas weer in de herfst op te dringen. De herfst is die beruchte opleving, in dit geval in de magistrale kleurenpracht van het verdorrend lover, die veel kankerpatiënten meemaken voor de eindstrijd inzet. Ik koester gemengde gevoelens voor de herfst. Ik ben gevoelig voor haar melancholie, maar ze drukt ons keer op keer meedogenloos op het onvermijdelijke. Je kunt dichten tot je een ons weegt, je kunt je een godsdienst aanmeten, je kunt in je blote kont op het dak van het Vredespaleis klimmen of de politiek ingaan, maar de tijd kun je niet omdraaien. Je mag één keer per jaar de wintertijd afschaffen, wat langere avonden oplevert, maar niet werkelijk soelaas biedt.

In de Nederlandse letteren lijkt het altijd herfst. Er is een legioen van pessimisten. 'We hebben geen visionaire schrijvers meer,' roept het. 'De poëzie is dood,' twittert het. Alleen het woord al. Twitteren. Het doet me denken aan een troepje hongerige mussen, tuk op een kruimeltje brood. Het zijn dezelfde verzuchtingen als die tegen het einde van het West-Romeinse rijk, waar men zich meer en meer omringd wist door ongeletterde barbaren. In de literaire bladen zit in ieder geval de klad. Verschillende uitgevers geven hun 'kweekvijver voor talent' op. Het wegvallen van subsidie en onvoldoende abonnees, is het verhaal. Ze vertrouwen liever op het internet, zoals de Romeinen steeds meer gingen vertrouwen op hun huurlingen, wat uiteindelijk verkeerd uitpakte. Te weinig abonnees, het zal wel, maar hoeveel abonnees had het roemruchte Podium, zo'n vijftig jaar geleden? Ik weet het niet, maar het zou mij verbazen als het er meer dan tweehonderd waren. Hulde voor de redacties die blijven doorgaan, vaak tegen heug en meug, met steun van auteurs die een 'steunabonnement' nemen of afzien van een honorarium.

Het is aardig om mee te dobberen op het internet, maar echte bevrediging vind ik op papier. Literatuur dient te rieken naar drukinkt. Niet alleen, maar ook. De literatuur is een ijsberg. Je ziet het topje, de stapels bestsellers in de schappen van de boekenschuivers. Wat je minder ziet is al het geworstel onder de waterspiegel. Af en toe breekt een schots af en komt er een kop boven. Ik worstel mee. Ik heb het wel naar mijn zin in de ijsvijver. We zijn van alle tijden, ook al denken we dat het einde der tijden in zicht is. Een gedachte die ook in het late West-Romeinse rijk ruim verspreiding vond.

©Kees Klok



woensdag, september 19, 2012

Willige Dame


Ik heb een beetje de pest in. Daarom ben ik naar een Grieks restaurant gegaan, om mij te vertreden en mijn goede humeur terug te krijgen. Een hoofdgerecht kost evenveel als een complete maaltijd voor twee personen, inclusief wijn, in Griekenland, maar ik klaag niet. Hier is de energierekening tenslotte ook veel hoger dan daar. Klagen laat ik graag over aan mijn mede-Nederlanders. Die klagen continue en over ik weet niet wat allemaal, want het calvinisme lijkt te hebben plaatsgemaakt voor het geloof dat ons volk collectief in een afgrond aan het storten is. Het is volslagen onzin dat één van de rijkste volkeren van Europa dat gelooft, maar mits je de goede toon aanslaat, kun je de meeste mensen van alles laten geloven. Van het bestaan van een almachtige god, die al die troep op aarde heeft veroorzaakt, tot het bestaan van sekskelders onder basisscholen in Oude Pekela.

Dat ik de pest in heb komt door de computer, waarmee ik weer eens een middag lang heb geworsteld. Het is een geweldig apparaat om teksten, als je die er eenmaal in hebt gezet, snel en efficiënt te wijzigen of te corrigeren. Hij is soms ook de oorzaak van enorm tijdverlies. Ik moest op het internet enige zakelijke handelingen verrichten, wat niet lukte. Een aanzwellende massa problemen en complicaties en een grote hoeveelheid onbegrijpelijke uitleg, werden mij tenslotte de baas. Je kunt met drie klikken lid worden van een pornosite, maar een account openen bij een bonafide bedrijf vereiste in dit geval eindeloos geduld en een diep inzicht in de krochten van de computer. Ik heb het voorlopig maar opgegeven. Hoeveel mooie zinnen had ik in die verspilde tijd kunnen lezen, hoeveel woorden kunnen schrijven? Met een kwade kop ben ik naar de Griek gewandeld. De meeste Griekse restaurants in Nederland zijn maar een afschaduwing van die in Griekenland zelf, maar het geeft je toch een idee alsof. Dingen als bouyourdi, kolokithaki jemista, melitsanokeftedes, een chortasalade of zouzoukakia uit Smyrna zijn zeldzaam op de menukaarten, maar daar vraagt de gemiddelde Nederlander, tuk op grote bergen vlees tegen een zo laag mogelijke prijs, meestal toch niet naar. Het is hier ook niet echt als bij Mirovolos Smyrnis, mijn vaste restaurant in Thessaloniki, maar het eten is lang niet slecht en de bediening meer dan charmant.

Langzamerhand verdwijnt mijn slechte humeur. Er ligt een schaakavond in het verschiet. Ik ben geen briljante speler, maar ik vind zo'n partij altijd wel prettig ontspannend. Vooral omdat op mijn club, die bijeenkomt in poffertjessalon Visser, een goede sfeer op prijs gesteld wordt. Er wordt op niveau geschaakt, meestal ver boven mijn niveau, maar fanatici worden niet gewaardeerd en er staat altijd een heel zacht muziekje aan op de achtergrond. Het meisje dat bedient en af en toe met een lieve glimlach komt vragen of 'het smaakt,' wordt bij iedere slok wijn een beetje mooier. Ik neem nog maar een koffie en een metaxa, om wat langer te kunnen blijven. Tot het hoog tijd is. De schaakclub roept. Mijn schaakclub heet misschien niet toevallig De Willige Dame.

©Kees Klok


maandag, september 17, 2012

Oude handen


Een paar dagen geleden, ik zat te schrijven, viel mijn blik op mijn handen. Het zal de lichtval zijn geweest, maar ik schrok van de dikke, donkere, meanderende aderen. Ik zag oude handen. Natuurlijk is het volslagen idioot om op je eenenzestigste te schrikken als je ziet dat je handen lijken op die van een heer op zekere gevorderde leeftijd. Leg eens een jeugdfoto naaste een recente opname van je kop en je ziet twee verschillende figuren. In vind het een wonder dat mensen die je vele jaren niet hebt gezien, je nog herkennen. 'Ha meneer Klok. Ik zat in 1984 bij u in de brugklas. Hoe gaat het met u?' Ik kijk zo'n veertiger dan verbaasd en verrast aan. In negentig procent van de gevallen heb ik geen idee met wie ik sta te praten. Dan vraag ik een naam, altijd wat beschroomd en met een zeker schuldgevoel, waarna ik thuis in mijn oude agenda's op zoek ga naar de cijfers.

Je leeftijd laat zich afmeten aan je handen. Daar is geen facelift voor. Onbarmhartig tonen ze de mate waarin het verval is gevorderd. Ze drukken je op een eeuwig, onoplosbaar probleem. De geest veroudert niet. Die verrijkt zich, als het goed is, wordt in de loop der jaren soms weleens wat wijzer, maar blijft in principe jong. Ik ben geestelijk nog altijd drieëntwintig. Als ik met oud-leerlingen van die leeftijd in de kroeg zit, wat gelukkig nog weleens gebeurt, merk ik wel dat ik meer heb gelezen en over een groter arsenaal aan belevenissen en ervaringen beschik, maar een echt verschil in leeftijd ervaar ik niet. Ik zie het alleen en voel het als er bijvoorbeeld weer een of andere spier dwarsligt. Soms begeer ik stiekem zo'n bloeiende, jonge vrouw, die vermoedelijk denkt van 'Jezus, hij is al net zo belegen als mijn vader.' Als ze er sowieso iets van merkt, want in de omgang met dames ben ik nog steeds even verlegen als in mijn pubertijd en de enkele keer dat dat niet zo is ben ik te dronken om nog enige indruk te kunnen maken.

Ik schrijf dit in poffertjessalon Visser, waar vanwege het regenachtige, donkere weer alle verlichting reeds brandt. Ik kijk naar mijn handen, die onder de lampenkapjes nog eens extra oud lijken. Zo'n veertig jaar geleden al zat ik hier strak in het vel, stikverlegen, naar de meisjes te kijken. Ik meen dat A.L. Snijders ergens schrijft dat er in wezen nooit iets verandert. Ik ben als drieëntwintigjarige geneigd het met hem eens te zijn. Ik kijk nog maar eens naar mijn handen.

©Kees Klok


zaterdag, september 15, 2012

Nader tot U


Als ik op reis ga, gaat er altijd een boek van Gerard Reve mee. 'Zonder Reve geen leve,' zeg ik altijd maar. Misschien wel de geniaalste schrijver van het naoorlogse Nederland, maar zoals vaker het geval is, grenst bij Reve genialiteit aan krankzinnigheid. Dat lees je in het boek Ons leven met Reve van Teigetje en Woelrat. Teder, eerlijk, ontroerend en ontluisterend. Veel van wat al bekend was over het leven van de man die ik weleens schertsend 'oom Reve' noem, wordt vanuit een ander gezichtspunt beschreven dan we gewend zijn en nu en dan voegen zij nog onbekende feiten toe. Reve komt uit het boek tevoorschijn als een oom die je liever niet op je familiefeestje vraagt, waar je toch geweldig tegenop ziet en die je ondanks zijn grillige gedrag lief hebt. Als je het einde van het boek leest, begrijp je waarom Joop Schafthuizen, alias Matroos Vosch, 'een ongeletterde jongen,' aldus Reve, alles in het werk stelt om publicatie van deel drie van de Reve-biografie van Nop Maas te voorkomen. Een streven waarin hij tot mijn onuitsprekelijk genoegen door de rechtbank werd gedwarsboomd.

Het leven van een schrijver is soms even fascinerend als zijn of haar boeken. Bij Dickens is dat het geval, bij Léautaud (al valt dat leven heel erg samen met zijn boeken) en beslist ook bij Reve. We mogen daarom dankbaar zijn voor al die prachtige brievenboeken, maar Reve schrijft ook in zijn brieven fictie (autobiografische fictie noemt L.H. Wiener dat, als ik mij niet vergis) en in 'autobiografische fictie' is de waarheid – terecht – van ondergeschikt belang. In hoeverre Teigetje en Woelrat 'autobiografische fictie' schrijven, zal blijken als deel drie van de Revebiografie van Nop Maas eerstdaags verschijnt. Het boek zou al lang zijn gepubliceerd als Joop Schafthuizen er niet was geweest. Vroeger was het in India de gewoonte dat bij de crematie van een overledene zijn weduwe ook in het vuur werd geworpen. Sommige schrijversbiografen zouden graag zien dat zoiets gebeurde met de weduwen van Nederlandse auteurs, zoals Mieke Vestdijk en Joop Schafthuizen, om maar twee notoire lastpakken te noemen. Ik ken ook schrijversweduwen van geheel andere snit en ik vind de Indiase oplossing net iets te ver gaan, maar ik kan mijn goede vriend T., een zeer geletterde jongen, in tegenstelling tot Matroos Vosch, wel begrijpen. Ooit schreef Reve een brief aan de koninklijke luchtmacht met de vraag of deze zo goed wilde zijn om het huis van de schrijver Theun de Vries voor hem te bombarderen. T. zag graag de woning van Matroos Vosch in Machelen gebombardeerd, maar waar kon je het adres van de Belgische luchtmacht vinden?

In april 2007 stond ik met Stella voor Huize Het Gras in Greonterp. We waren op Reve-bedevaart. Een vriendelijke Fries, van wie wij maar al te graag aannamen dat hij ooit buurman was van Reve, nam een foto van ons voor het kapelletje waarbij Reve ooit begraven wilde worden. Een wens die niet is gehonoreerd. Teigetje en Woelrat merken dat op aan het begin van hun boek, als ze aan de groeve van Reve staan, na de teraardebestelling in Machelen, waarvoor ze niet eens door Schafthuizen waren uitgenodigd. Toen Stella en ik daar in het stille, vredige Greonterp stonden, op die prachtige voorjaarsmiddag, moesten we denken aan het einde van een VPRO-documentaire over Reve, waarin een fanfare op diezelfde plaats het lied Nader tot U speelde. Niets wees erop dat Stella acht maanden later aan maagkanker zou overlijden. Nader tot u gaat mee op de volgende reis.

©Kees Klok


donderdag, september 13, 2012

Regen of drup


Zeven uur. Ik zit in het Stadscafé, want mijn stamkroeg, Visser, sluit op woensdag om zes uur. Een onmogelijke tijd voor een café, vind ik, maar als je ergens al meer dan veertig jaar komt, houd je op een gegeven ogenblik op met zeuren. Soms weten we als stamgasten de sluitingstijd wat op te rekken. Ik heb een afspraak met een oud-leerlinge. Ze heeft net haar hbo-diploma gehaald en dat gaan we vieren. Ik herinner mij het café nog als de mooiste, eind negentiende eeuws ingerichte, tabakswinkel van Dordrecht. Te vergelijken met de eveneens ter ziele gegane zaak van Van der Pigge in Haarlem. Als ik een blik naar buiten werp, kijkt Arie Scheffer vanaf zijn sokkel in mijn richting. Zit ik bij Visser op het terras, dan kijkt hij de andere kant uit. Arie Scheffer, Jacques Perk.... beiden beroemd geworden nadat ze Dordrecht als klein kind al hadden verlaten, maar wat zijn we trots op op onze mannen. Op Scheffer iets trotser dan op Perk, want Arie heeft een heel plein met standbeeld gekregen, terwijl Jacques het moet doen met een gedenksteen in de Lange Breestraat. Dat is typerend voor Dordrecht: voor zover er geld en belangstelling is voor cultuur, gaat dat vooral naar de beeldende kunst. De letteren komen er altijd bekaaid vanaf. De door wijlen Joop van Halen, bezieler van de stichting Perspektief (onlangs opgegaan in Dordt Literair), in het leven geroepen Debutantenprijs, nu de Academica Debutantenprijs, voor proza, wordt dit jaar al voor de tweede keer in Den Haag uitgereikt. Dat zegt veel.

Mijn oud-leerlinge is nog niet gearriveerd. Het is inmiddels gaan regenen. Uit de afhaal-wok naast café De Beurs, komen af en toe eenzame mannen met witte, plastic tassen. Langzaam valt de schemering. Het is volgens de media een spannende avond. Over anderhalf uur wordt de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen verwacht. Wekenlang hebben we op radio en televisie over weinig anders gehoord. Debat op debat, tot vervelends toe. Europa, de zorg, de zorg, Europa, Europa, de zorg en soms nog een enkel ander heikel punt. Ik heb een paar keer geprobeerd te kijken, maar viel steeds na korte tijd in slaap. Ik heb braaf mijn stem uitgebracht, vanmorgen al, om kwart voor acht, en ik heb zelfs een affiche op het raam gehangen van de partij waarop ik heb gestemd. Met alle bedenkingen van dien, want als ik naar het verleden van die partij kijk, zie ik de rampen die zich tijdens mijn zesendertig jaar als leraar in het onderwijs hebben voltrokken en die voor een flink deel op haar conto moeten worden geschreven. Van Kemenade, Ritsen..., ik krijg nog nachtmerries van die namen. Wat mij betreft komt er geen plein met standbeeld voor Jos, noch een gevelsteen, ergens in een smalle zijstraat voor Jo. Ik heb mij gehouden aan mijn voornemen om te stemmen op een vrouw.

Mijn oud-leerlinge komt binnen. Een stralende jongedame. Als ik haar een paar flinke zoenen geef als beloning voor het afstuderen, bedenk ik dat haar cadeau, ik geef altijd een boek, nog thuis ligt. We drinken wat. Ik wil haar mee uit eten nemen, maar ze blijkt al te hebben gegeten. Een bevriend stel komt binnen en schuift aan. We bestellen nog een rondje en nog een en daarna een volgende. We hebben het over Europa en over de zorg, halen oude herinneringen op en nemen er nog maar een. Toch maken we het niet laat. Behalve ik moet het gezelschap morgen weer tijdig aan de slag. Ik wandel in de regen door het uitgestorven stadscentrum naar huis. Op tafel ligt het vergeten cadeau, een reden om weer snel af te spreken. Ik zet het nieuws op. De partij waarop ik heb gestemd is niet de grootste geworden. Mark Rutte, geen familie van het jenevermerk en van aanzienlijk mindere kwaliteit, heeft als eerste de eindstreep gehaald. Ik haal de verkiezingsaffiche van het raam en zie dat het niet meer regent, maar ik geloof dat het nog wel wat drupt. 

©Kees Klok

woensdag, september 12, 2012

Vijftig seconden voor twaalf


Het Algemeen Dagblad meldt dat Chrissi Afghi, de Griekse nazi-partij, die tot mijn verbazing nog steeds niet is verboden, de derde van het land zou worden, als er nu verkiezingen zouden zijn. Ik heb geen idee uit welke bron die informatie komt en ik weet uit ruime ervaring dat kranten soms maar wat schrijven, maar gerust ben ik er niet op. Ik laat het stuk op mij inwerken, ongeveer zoals ik kijk naar een vochtplek op het plafond. Ik wil nog even niet geloven aan lekkage, met alle ellende van dien. Het Griekse volk, dat vanaf midden jaren '90 tot 2009 een periode van stijgende welvaart doormaakte, beleeft nu een ongekende economische ineenstorting, die een sociale aardbeving veroorzaakt, waardoor de hele samenleving in een chaos dreigt te veranderen. Dat kan onvoorstelbare consequenties hebben. Van 1946 tot 1949 beleefde Griekenland een gruwelijke burgeroorlog, die nog steeds niet helemaal is verwerkt, mede doordat oude wonden weer werden opengereten tijdens het kolonelsregiem van 1967 tot 1974. Het uiteenvallen van Joegoslavië leert ons dat oud zeer, historische ressentimenten die als een veenbrand smeulen, ineens kunnen opflakkeren tot een uitslaande brand die de samenleving kan verwoesten. De economische toestand in het Joegoslavië van voor het uiteenvallen was rooskleuriger dan die in het Griekenland van nu.

Waar gevoelens de boventoon voeren in plaats van het verstand, gevoelens van wanhoop, radeloosheid en boosheid, is een radicalisering welhaast onvermijdelijk. In Griekenland dreigt het gevaar dat de oude, diepe tegenstelling tussen links en rechts, die teruggaat op politieke ontwikkelingen tijdens en net na de Eerste Wereldoorlog, zich verscherpt tot die tussen nazi's en fanatiek links. In de opkomst van de nazi's en in het blinde verzet van de linkse vakbonden tegen iedere vorm van economische hervorming, klinken echo's uit de burgeroorlog door. Als dat zich doorzet is het wachten op een nieuw begin van de politieke moorden waarvan de moderne Griekse geschiedenis doortrokken is. Gaan we het beleven dat de Lambrakisstraat*, om de hoek bij mij in Thessaloniki, omgedoopt wordt in de Pattakosstraat, naar een van de leiders van het kolonelsbewind, of in de Zachariadisstraat, naar de leider van de communisten in de burgeroorlog? Het klinkt onwaarschijnlijk, maar minder onwaarschijnlijk dan drie jaar geleden.

De democratie zoals wij die voorstaan, heeft in Griekenland in feite pas een kans gekregen na de val van het kolonelsbewind. Om deze prille democratische ontwikkeling een kans te geven, werd Athene in 1981 toegelaten tot de EG (wat nu de EU is). Door zijn afwijkende culturele en politieke geschiedenis, is Griekenland in de Europese familie altijd een buitenbeentje gebleven. Vaak een dwarsliggend buitenbeentje, maar evenzeer een waardevol lid, dat Europa, misschien iets minder in moderne tijden, maar zeker in vroegere fasen van de geschiedenis, veel geestelijke en culturele rijkdom heeft geschonken. Toch twee Nobelprijswinnaars voor literatuur in de 20e eeuw. Daar kunnen we in Nederland een voorbeeld aan nemen. De Griekse plagerij van 'toen wij al marmeren beelden en paleizen maakten, zaten jullie nog in de bomen noten te eten,' mag dan sterk overtrokken zijn, feit is dat de Europese beschaving veel aan de Grieken te danken heeft.

Om Griekenland te begrijpen moet je kennis hebben van en inzicht in de moderne geschiedenis van het land, vanaf de onafhankelijkheidsstrijd, begin 19e eeuw. Steeds weer blijkt dat het de Europese politici daar aan ontbreekt. Ze behandelen Griekenland als het achterlijke broertje, dat ook nog eens ADHD heeft, en met de bullepees in het gareel moet worden gedreven. Zo'n behandeling krenkt ieder volk tot op het bot. Vrijwel geen enkele Europese politicus beseft, of wil beseffen, dat de Grieken vanaf het allereerste begin van de noodhulp nooit aan de onmogelijke eisen van EU en IMF hebben kunnen voldoen. Eisen die, door velen voorspeld en uitgekomen, de ineenstorting van de economie en daaruit volgende maatschappelijke implosie, evident zouden versnellen. Economen zijn het zelden met elkaar eens, maar het merendeel hierover wel. In deze context is het immoreel de Grieken er van te beschuldigen dat zij 'onvoldoende hun best doen,' en 'niet leveren,' om over de talloze beledigende, valse en onjuiste stereotypen, die veel Europese media gretig verspreiden, niet te spreken.

Nog steeds is Griekenland een paradijselijk oord om te bezoeken, als je de 'no-go areas' in Athene maar mijdt. Dat kan echter in een ommezien veranderen als EU en IMF vasthouden aan hun verwoestende en contraproductieve eisen. Niemand kan de toekomst voorspellen en wie weet geven de Grieken blijk van een onmenselijke zelfbeheersing, maar er kan evengoed een tweede Syrië ontstaan, nu op de Balkan, binnen de EU en dan gaat het veel meer dan geld kosten. Ik huiver bij de wetenschap dat het bijna te laat is, tenzij de Europese familie een werkelijke helpende hand biedt, waaruit eindelijk iets van solidariteit blijkt met het lijden van de miljoenen gewone Grieken die evenmin schuld aan de crisis hebben als onze man of vrouw uit de straat. Geloof me, het is vijftig seconden voor twaalf.

©Kees Klok

*Een links politicus, in 1963 door een aanhanger van ultra-rechts in Thessaloniki vermoord.


maandag, september 10, 2012

Vijfentwintig jaar geleden


Het is mooi weer. Zeker voor de tijd van het jaar. Hier en daar begint al een boom of struik iets te verkleuren en in de tuin ligt al wat bladafval. Toch staat er nog van alles te bloeien. Het is zo warm dat ik in de woonkamer ben gaan zitten. Daar is het met drieëntwintig graden naar verhouding koel. Een buurkind is gevallen en heeft het van schrik op een huilen gezet. Een kraai krast er verontwaardigd tegenin. Als dit het flatgebouw in Griekenland was geweest, zou de moeder in een heftig geschreeuw zijn uitgebarsten, in plaats van het meisje met zachte woorden te troosten. De moeders in onze Griekse flat krijsen harder dan hun kinderen en bij de minste of geringste aanleiding. Vooral de vrouw van D. Zij gaat zelden anders dan hysterisch te keer. In het voorvaderlijke dorp van Stella is het de vrouw van F. die op gezette tijden haar kroost beschreeuwt op een manier die doet vrezen dat de kippen van de leg gaan.

Griekse ouders hebben in het algemeen erg veel over voor hun kinderen, het krijsen van de moeders ten spijt. Zij ontzeggen zich van alles om een huis voor hun kinderen te kunnen kopen, of te laten bouwen. Ik kan zo een reeks kinderen van vrienden noemen die wonen in een huis dat ze van pa en ma cadeau hebben gekregen. Ouders liggen krom om de bijlessen van hun kinderen te betalen. Volgen ze die niet en hebben ze niet het geluk op een peperdure buitenlandse school of op een van de weinige 'experimentele scholen' te zitten, dan halen ze hun universitaire toelatingsexamen niet. Iedere ouder wil zijn kind op de universiteit en de concurrentie is groot. Ik ken een architecte, weduwe, die haar beide zonen ook nog een auto gaf, toen ze slaagden voor hun rijbewijs. Kostgeld vragen aan thuiswonende kinderen wordt als een schande gezien.

Het is zonneklaar dat de financiële en sociale ineenstorting van Griekenland zijn weerslag zal hebben op de in Nederlandse ogen sterk overdreven verwennerij van kinderen. Hoe dat gaat uitpakken, weet ik niet. De weduwe zit nu zonder geld. Haar pensioen is al maanden niet uitbetaald. De zoons en schoondochters zijn werkloos geworden en alle vier bij ma ingetrokken. De nummerborden van de drie auto's van de familie zijn ingeleverd. De wegenbelasting kon niet meer worden betaald. De leeggekomen woningen en het zomerverblijf staan te huur of te koop, maar er zijn geen huurders of kopers. Ondertussen komt de ene na de andere belastingaanslag binnen. Niet over het echte inkomen van nul euro, maar over een fictief inkomen van dertigduizend euro. Zomaar, met de duim, door de fiscus bedacht. Nu wordt er nog geld geleend van familieleden die iets minder klem zitten, maar binnenkort?

De troostende woorden van de buurvrouw hebben geholpen. Het kind is weer onbezorgd aan het spelen. Even onbezorgd als de zonen van de Griekse weduwe, een jaar of vijfentwintig geleden.

©Kees Klok



zaterdag, september 08, 2012

Suriname en ik


Ik lees het boek Suriname en ik, een verzameling persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland, onder redactie van John Leerdam en Noraly Beyer. Het voert mij terug naar de zomer van 1982, toen ik het land bereisde van Albina tot Nieuw-Nickerie en van Paramaribo tot Stoelmanseiland en tot Asidonhopo, de residentie van de granman van de Saramaccaners aan de Boven-Suriname. De zomer van 1982. Dat was voor de decembermoorden, maar na de mislukte coup van de militair Rambocus. Paramaribo was nog net even 'de vrolijkste stad in de jungle,' zoals Anil Ramdas schreef, maar tegen middernacht werden er barricades opgeworpen rond het kampement, zoals iedereen de Memre Boekoekazerne noemde. Een teken dat er iets broeide in het Paramaribo van de feesten op de universiteit, met Cubaanse bands die als blijk van solidariteit werden gestuurd door oom Fidel. Het bewind van bevelhebber Bouterse had nog een hoog operettegehalte, maar uit de uzi's kwamen wel echte kogels. Oom Fidel, die besmuikt werd gezien als lichtend voorbeeld, hield dissidente dichters gevangen en zijn muzikanten bliezen nogal eens een valse noot. Ronnie Brunswijk was nog een fenomeen in de toekomst en hoewel er gebrek was aan het een en ander, de bakolie op de bon, bijvoorbeeld, leek zorgeloosheid alom nog in ruime mate aanwezig. Bouta en zijn rechterhand Roy Horb hadden nog het voordeel van de Haagse twijfel.

Een Nederlands fregat en een handvol mariniers hadden de democratie in een oogwenk kunnen herstellen, maar dat voordeel van de twijfel kwam Nederland wel uit. Anders kreeg je weer internationaal getetter over imperialistisch optreden en neo-kolonialisme, zoals bij de rellen op Curaçao in 1969, en was Suriname daar niet te onbelangrijk voor? Toen de bom barstte, op 8 december, liet Nederland het enige na wat het had moeten doen. In plaats daarvan kondigde het sancties af die vooral de arme Surinamers troffen. Zoals de kortzichtige bezuinigingsreflex van nu vooral de arme Europeanen treft, terwijl de vermogenden fluitend verder speculeren. Nu en dan stuurde ik met Surinaamse vrienden een pakket met allerlei zaken waaraan gebrek was naar tropisch Nederland. Zoals we dat eerstdaags ook naar Griekenland moeten gaan doen, vrees ik.

Er moeten al veel onderhuidse spanningen zijn geweest in die dagen dat ik in Botopassie dromerig keek naar de blote borsten van de marronmeisjes. Daar kon je beter van afblijven, maar in de stad was het een prettig Sodom en Gomorra in de vele bars gevuld met straatarme, maar beeldschone gelukzoeksters uit de Dominicaanse Republiek. In een waas van whisky, de Surinaamse nationale drank, genoot ik met volle teugen van alles wat God verboden had. Aids was nog maar een vaag gerucht. Iets met homo's. Eerst borrelen in hotel De Ark en daarna naar de Maagdenstraat, waar iedere gedachte aan revolutie, tegencoup, oom Fidel en de stuntelige macho's van de volksmilitie, werd gesmoord in de armen van Felicita.

Geen wonder dat 8 december voor mij volkomen onverwacht kwam. Opeens was Suriname, het land waarop ik bij de eerste kennismaking volstrekt verliefd werd, weer een ver land, waar je voor je fatsoen niet naartoe kon. Ook na het herstel van de democratie ben ik er niet meer geweest. Ondanks aandringen van vrienden die waren achtergebleven of er inmiddels weer zijn teruggekeerd. Of ik er ooit nog eens heenga? Wie weet, maar ik vraag mij af wat voor Suriname ik dan tref en hoeveel vrolijkheid die stad in de jungle nog kent. Misschien vind ik het antwoord in het boek van Leerdam en Beyer.

©Kees Klok



John Leerdam & Noraly Beyer (red.) - Suriname en ik. Persoonlijk verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland. Amsterdam 2012. ISBN 978 90 29087 193.


woensdag, september 05, 2012

Aan het eind van Nederland


Ik zit in het gastenverblijf van het landgoed van vrienden in Drenthe. Voor mij manshoge hagen, overal bloemen en geen mens in beeld. Je zou er zo als Adam en Eva willen rondlopen, maar het is vijftien graden en voorlopig zit ik in een trui. Een vliegtuig trekt een condensstreep aan de hemel. Het komt uit Duitsland, hier vlakbij. Aan de andere kant van het veen dat de Hondsrug scheidt van de grens. Het veen. Een troosteloze, bijna boomloze vlakte, waar zonderlingen lustmoorden plegen op eenzaam fietsende meisjes, zoals een paar jaar geleden in Tweede Exloërmond.

Ik probeer Radio-1 te vinden op het toestel dat bij het verblijf is bijgeleverd, maar het enige station dat ik ontvang is een onbekende, commerciële zender met nieuws op Telegraafniveau. De toon van de presentatoren, die zichzelf graag horen, maar bitter weinig te melden hebben, is die van de borreltafel tegen sluitingstijd. De muziek is niet om aan te horen. Wie daar wil adverteren moet zich laten behandelen. Ik zet het ding al snel weer af en hoop op een spoedig herstel van de zendmast in Hogersmilde. Er schiet een veldmuis over het terras. Dapper met al die roofvogels in de buurt.

Ik ben hier gisteravond aangekomen. Per trein naar Emmen, waar ik ondanks alle bouwputten (Rotterdam, Utrecht, Zwolle) stipt op tijd arriveerde. Emmen ligt aan het einde van de spoorlijn. Bijna aan het eind van Nederland. Twee keer per uur vertrekt er een trein uit Zwolle. Een boemeltrein en een 'sneltrein' die twee molshopen overslaat. Geen wonder dat het Noorder Dierenpark wegkwijnt met zo'n puike verbinding. Er wordt gereden met verwaarloosd materiaal dat kraakt, rammelt en er haveloos uitziet, van buiten en van binnen. Ook in de eerste klas heb je het idee ergens diep in de Derde Wereld te reizen. Ieder ogenblik kan er een onverstaanbare inboorling instappen met een geit, of met een bundel spartelende kippen. De conducteur is voorkomend en beleefd. Ik versta hem. Bij het station wachtten mijn vrienden om mij naar het landgoed te rijden. Dat is niet per openbaar vervoer te bereiken. Alleen te voet of per landauer. De landauer heet tegenwoordig peugeot.

Op het landgoed drinken wij die avond zelfgeproduceerde cider. Op een ruim terras, omzoomd met kruiden. Het is er vooral stil. Er lopen schapen. Levende grasmaaiers, gehuurd van een bevriende boer. Ik verneem dat het dorscafé failliet is, dat die en die zich onder invloed hebben doodgereden en dat mijn vrienden zich hebben gestort in de lokale politiek. Een pyromaan houdt al enige tijd de gemoederen bezig. Terwijl de avond valt worden toebereidselen gemaakt voor het diner. In de verte zie ik een meisje fietsen. Ik hoop dat ze niet op weg is naar Tweede Exloërmond.

©Kees Klok



dinsdag, september 04, 2012

Navelstaren


In de tijd dat ik nog geschiedenisles gaf, begonnen wij in de brugklas met de prehistorie. De oermens ging er altijd gretig in. Van de missing link tot de homo sapiens. In feite weten we bar weinig van de oermens, simpelweg omdat er geen schrift was waarin zijn gedachten voor het nageslacht waren vastgelegd. We weten dat hij niet al te dom was en zowel het wiel als het maken en gebruiken van vuur heeft ontdekt, al heeft dat wel allemachtig lang geduurd. Sommige aftakkingen van de homo sapiens zijn trouwens nooit aan de uitvinding van het wiel toegekomen. Dat bleek bij de ontdekking van Amerika in 1492.

De oermens begon als jager en verzamelaar, leren alle geschiedenisboekjes, die in het onderwijs merkwaardigerwijs methoden worden genoemd. Methode wijst op de vorm waarin het onderricht wordt gegoten, niet op de inhoud. Geschiedenis is een vak dat het best onderricht kan worden door het vertellen van spannende verhalen. Ik ben mijn hele loopbaan lang als leraar belaagd door mensen die zich onderwijsvernieuwers noemden en die mij kostte wat het kost van mijn verhalende methode wilden afbrengen. Termen als groepswerk, ontdekkend leren, zelfwerkzaamheid, bleven almaar rondzingen. Jarenlang hamerden de schoolleiding, de daltoncommissie en horden buitenschoolse tetteraars op het belang van vaardigheden. Dan kwam de kennis van het vak vanzelf wel, dachten ze. Ik geef toe dat je niet ver komt als je niet kunt schrijven en niet goed kunt lezen, terwijl het ook handig is om dingen als feiten en meningen van elkaar te kunnen onderscheiden. Dat dient de basisschool je te leren en later de docent Nederlands en, vooruit, die van dat uurtje studieles in de brugklas. Waarom leerlingen tegen heug en meug als kleine historici in spé allerlei gegoochel met bronnen moeten uithalen, bronnen die ze menigmaal niet in de context kunnen plaatsen of eenvoudigweg niet snappen, begrijpt deze echte historicus nog steeds niet. De middelbare school als kloon van de universiteit, daar hebben we uiteindelijk die fantastische lerarenopleidingen aan overgehouden, waar kennis van de geschiedenis van gering belang wordt geacht, maar waar 'reflecteren op jezelf' en het aanleggen van dikke dossiers met vage lulpraat het hoogste goed zijn.

De oermens werd van jager en verzamelaar, en dus nomade, uiteindelijk boer met een vaste woon- of verblijfplaats. Er ontstonden verschillende beroepen en er werden tal van nuttige uitvindingen gedaan, die werden aangewend om rijkdom te vergaren of elkaar de hersens in te slaan. Het schrift ontstond. We kunnen daardoor proberen na te gaan wat de mens vroeger voelde en dacht. De historie werd geboren. Over heel dat proces dat zich vanaf een paar duizend jaar geleden tot nu voltrok, vallen de spannendste, grappigste en treurigste verhalen te vertellen. Dat heb ik gedaan. Al die jaren dat ik leraar was, terwijl ik de vernieuwers in het bos liet huilen. Historie, van het Griekse ιστορία, betekent oorspronkelijk het vertellen van verhalen. Een historicus is allereerst een verteller van verhalen. Geen beklagenswaardige zonderling die 'op zichzelf reflecteert,' die, in andere woorden, naar zijn navel zit te staren.

©Kees Klok