vrijdag, mei 03, 2013

Rudi Carrell-Duits


Het is een zonnige dag. Licht dat je altijd zo zou willen. De perelaar komt in bloei, de tuin gonst van nieuw leven. Vooral het onkruid tiert welig. Nu en dan bestrijd ik het, maar niet alles hoeft netjes aangeharkt. Hier en daar mag de natuur even zijn gang gaan.

Gisteren zat ik op een terras in Nijmegen, op een plein, onder een boom. Ik had de vreemde plekken op de grond en op sommige tafels pas laat in de gaten. Vogelstront, maar de natuur was genadig. Er was in de buurt geen vogel te bekennen. Later, terug in Dordrecht, liep er een reiger op de Voorstraat. Ik vind dat nare vogels. Daar kunnen zij zelf niets aan doen. Ik vind de terugkeer van de reiger naar de stad geen goede zaak. Ik las pas een ingezonden brief van iemand die bang was dat reigers de hele stad zouden onderschijten.

Nijmegen is een merkwaardige stad. Het kantoor waar ik mij vervoegde ligt in een mooie wijk met herenhuizen uit het begin van de twintigste eeuw. Net Arnhem, maar ik weet niet of je dat hardop mag zeggen in Nijmegen. Het plein in het centrum, waar ik mij op het terras van cafe De Opera vertrad, had veel van Krefeld. 'Omdat ze hier op de grens van het rijk zitten,' dacht ik eerst. Toen herinnerde ik mij dat Nijmegen in 1944 zwaar is gebombardeerd. Door de Amerikanen, die het aanzagen voor een Duitse stad.

Waarom Nijmegen en Krefeld zoveel op elkaar lijken, mag de architectuurgeschiedenis verklaren. Ik vind Krefeld niet zo mooi. Wel hebben ze er een Gesamtschule, op de Kaiserplatz, waarmee het Stedelijk Dalton veel samenwerkte. De collega's van die Gesamtschule waren bijna allemaal aardige mensen. Een aantal sprak goed Nederlands. Dan schaamde ik mij weleens voor mijn Rudi Carrell-Duits.

©Kees Klok


donderdag, april 25, 2013

De uitslag blijft


Bij het kruispunt Blekersdijk-Singel-Dubbeldamseweg hoor ik een auto met grote snelheid over de Singel aankomen. Het is een erg onoverzichtelijk kruispunt, doordat het in een bocht ligt. Dat is het al sinds mijn geboorte, maar aan stoplichten hebben de Boven Ons Gestelde Autoriteiten nooit gedacht. De auto komt van links, de kant van mijn goede oor. Kwam hij van rechts dan had ik dit misschien niet kunnen schrijven. Hij stuift met een griezelige snelheid voorbij. Een Audi. Een goede vriend, die de kost verdient in de letselschade, heeft mij eens verteld dat bij meer dan de helft van het aantal ernstige ongevallen met auto's bestuurders van Audi's of BMW's zijn betrokken. Die chauffeurs zijn vooral jonge mannen. Ik luister zo scherp mogelijk en steek zo snel als ik kan de Singel over.

Zojuist zag ik een voetbalwedstrijd tussen Borussia Dortmund en Real Madrid. Bij mijn zusje en zwager. In de competitie voor de Europacup. De Duitsers liepen over de Spanjaarden heen. Ze wonnen met 4-1. Gisteren droogde Bayern München FC Barcelona af met 4-0. Er is iets gaande in het voetbal. Het zwaartepunt, voor zover je daarvan kunt spreken, lijkt te verschuiven van zuid naar noord. Als je ziet hoeveel nationaliteiten in die ploegen spelen is dat natuurlijk onzin. De kwaliteit hangt van de financiën af. Het arme zuiden dreigt het af te leggen tegen het rijke noorden. Zoals het economisch sukkelende Spanje het in de Tachtigjarige Oorlog uiteindelijk aflegde tegen de minuscule, maar financieel krachtige Republiek der Verenigde Nederlanden. Het was een aantrekkelijk wedstrijd, ondanks de geldelijke belangen. Toch sta ik liever langs de lijn bij DFC of FC Dordrecht. Misschien omdat het grote geld er geen of een beduidend mindere rol speelt. Ik houd ook niet van massale stadions. De paar duizend mensen die in het FC Dordrecht stadion kunnen zijn mij eigenlijk wel genoeg, al zou een nieuwe of vernieuwde accommodatie wel prettig zijn.

Ik heb meer met jongens in de tweede klasse zaterdagamateurs en de Jupiler League, die dromen hebben van een club als Ajax en daarna de grens over, Bayern München misschien, dan met de overbetaalde vedetten. Ze worden niet of weinig betaald, maar knokken toch voor iedere punt. Ik vond FC Dordrecht-De Graafschap nog spannender dan de pot van gisteravond. Ik droom al een leven lang van de kans om de dichterstroon van Campert of Komrij te bestijgen. Een voetballer is rond zijn dertigste wel uit gedroomd. Als ze het tot vedette brengen gaan ze vaak in Audi's of BMW's rijden, met een sexy jonge vrouw naast zich. Ik vraag me af of de bestuurder van mijn race-Audi een vedette was, of gewoon een foute jongen in de auto van pa. Een man op weg naar de noodapotheek of een aangeschoten type uit het vastgoed dat meent boven de wet te staan. Als je de weg op het verkeerde ogenblik oversteekt leggen ze bloemen of schrijft iemand een brief aan de krant over het falen van de afdeling Verkeer. Er zal niets veranderen. De uitslag blijft 4-1.

©Kees Klok


zondag, april 21, 2013

Voorjaarszon


De fluisterboot waarmee je door de havens kunt varen is één van Dordrechts leukste attracties. Veel leuker dan de Ark van Noach, dat geval van ernstige horizonvervuiling. Dat de fluisterboot De Dordtevaar heet is een vergeeflijke middenstandsmeligheid. Het had erger kunnen zijn. Tijdens de vaart zie je namen als Bakjans voor de kotter van het echtpaar Bakker-Janssen en Hengrid voor de roestige tobbe van het losersduo Henk en Ingrid. Die tobbe is te koop. Aan het mastje is een 06-nummer gespijkerd. Ik zie het als we door de Wijnhaven varen. Het is zonnig, hoewel door de wind nog behoorlijk fris. De terrassen zitten niettemin vol. Als we het Scheffersplein en de Visbrug naderen, kijken de drinkers op je neer. Ik hoop dat niemand op het idee komt met bier of bitterballen te gooien. Je bent in zo'n boot nogal kwetsbaar voor bepaalde vormen van terrashumor. De huidartsenvereniging roept op voorzichtig te zijn in de zon.

Iemand maakt een vergelijking met Venetië. Dat is nog wel iets anders dan Dordrecht, maar het moet gezegd dat het tochtje weer eens toont hoe mooi het stadscentrum is. Vooral de Pottenkade is prachtig in de zon. Ik heb iets met de Pottenkade sinds ik er ooit wandelde met een meisje waarop ik erg verliefd was. Dat was vijfenveertig jaar geleden. Zij dacht aan iemand anders. Aan een puistige wielrenner. Als ik buitensteeds bezoek heb, doe ik graag een rondje met De Dordtevaar, maar het moet wel droog zijn, want een overkapping heeft hij niet. Dan zou hij niet meer onder het Scheffersplein door kunnen en zeker niet onder de Roobrug. De wijze waarop de schipper manoeuvreert dwingt ontzag af voor zijn stuurmanskunst.

Na de behouden vaart eten we poffertjes bij Visser. Dat is iets dat je buitensteeds bezoek eigenlijk niet mag onthouden. Daarna nemen wij afscheid en spoed ik mij naar DFC-Rijswijkse Boys. Ik kan net de tweede helft halen. Ik denk aan de huidartsenvereniging en maak een klein ommetje langs huis om mijn hoofd in zonnebrandolie te dompelen. Als ik aan de lijn verschijn, fluit de scheidsrechter net voor de aftrap. Ik heb mijn laatste wedstrijd in 1977 gefloten, op het schoolvoetbaltournooi in Hendrik-Ido-Ambacht, en ik ben niet helemaal onpartijdig, maar ik zie dat deze concertmeester weinig van de partituur snapt. Het spel van Rijswijkse Boys roept gedachten op aan de Tiroler Holzhackerbuben. Na het missen van een paar mooie kansen en het door de dubieuze arbitrage mislopen van een hele serie vrije schoppen, komt DFC met 1-0 voor. Twee minuten voor tijd geeft de pandjesjas een penalty tegen. Ik heb niet goed gezien of dat terecht is. In de tweede klasse zaterdagamateurs denk je niet direct aan een bel-Chinees, maar een juiste beslissing zou uitzondering op de regel zijn. Iemand zegt: 'Ze denken te veel, dat voetbalt niet lekker.' Een ander: 'Ze kijken niet!' Een derde meent dat het de gebruikelijke DFC-pech is. Het eindigt in 1-1. Ik voel mijn kop gloeien. Een paar uur voorjaarszon is soms net iets te veel van het goede.

©Kees Klok


vrijdag, april 19, 2013

Balancerend op de rand van Europa

Vandaag verscheen mijn boek over de moderne geschiedenis en de actualiteit van Griekenland. Het boek is te bestellen bij uitgeverij Liverse Bestelformulier Liverse ISBN 9789076982984, euro 15,=





dinsdag, april 16, 2013

Toeval


Soms denk ik: 'niets is toeval,' al is het niet mijn gewoonte om mij erg druk te maken over de vraag of het toeval bestaat. Ik maak mij tenslotte ook nooit druk over de kwestie van de kip en het ei. Wel is het toevallig dat net nu ik mij weer eens aan het verdiepen ben in de geschiedenis van Wales, ik een tentamen van VWO-6 onder ogen krijg dat begint met de vraag: 'Who were the original inhabitants of Britain and where is their language still spoken?' Ik zit in lokaal 142 van het Stedelijk Dalton aan de Overkampweg. Een groep leerlingen maakt een toets Engels. Als ik niet in Griekenland ben en men zit in nood, kunnen ze me bellen. Vijf minuten fietsen en ik ben er. Even terug op het oude honk, alsof ik nooit weg ben geweest.

Wat voor antwoorden zullen er op die vraag komen? Het moet natuurlijk zijn de Britten en hun taal wordt nog gesproken in het noordwesten van Wales en in het noordwesten van Schotland, maar eigenlijk is dat te simpel. De Britten bestonden uit een bonte verzameling stammen, elk met hun eigen koninkje en dialect, als we het zo mogen noemen. Het Welsh vormde zich daaruit in de vroege middeleeuwen als taal van de Keltische stammen aldaar, die langzamerhand versmolten tot de Cymru, de Welshe natie. Vooral door de unificerende invloed van het christendom. Hoe dat zit in Schotland weet ik niet, wel dat er duidelijke verschillen zijn tussen het Welsh en het Gàidhlig. Zaken die de zwoegende jongelui vandaag niet hoeven te behandelen.

Na deze vraag wachten er nog vijfendertig. Allemaal over Engelse literatuurgeschiedenis. De leerlingen zullen blij zijn als het achter de rug is, maar mij stemt het tentamen vrolijk. Het is in de eerste plaats een aanwijzing dat er weer degelijk aandacht wordt besteed aan literatuur. Jarenlang heeft de politiek zijn best gedaan om het literatuuronderwijs af te breken, evenals het geschiedenisonderwijs. Dat is kennelijk mislukt en dat is een reden tot vreugde. Ten tweede voeren de vragen mij terug naar de lessen Engelse literatuur in mijn eigen middelbare schooltijd. Naar het schooljaar 1968-69 toen dr. Rudolf Dekker (niet te verwarren met de gelijknamige historicus) ons Engels gaf. Hij sprak prachtig Engels en vooral zijn lessen literatuurgeschiedenis waren een genot. Zo inspirerend dat ik nu, na vierenveertig jaar, de tentamenvragen op een enkele na moeiteloos kan beantwoorden. Goed, ik heb ondertussen ook nog wel iets gelezen, maar toch.

Of ze het klaarspelen om alles in anderhalf uur te beantwoorden, weet ik niet. We zullen zien. Er zitten verschillende vragen tussen waarover je een heel essay zou kunnen schrijven. Bijvoorbeeld: 'Give an explanation for the rise of the novel in the 18th century?' Ik denk uiteraard als historicus. Iemand die graag wil verklaren. Bovendien ben ik weleens een beetje babbelziek. Ik zou misschien wel een hele dag over al die vragen willen doen en vele pagina's antwoord inleveren. De eerste leerlinge is klaar en levert haar werk in. 'Haastige spoed, enzovoorts,' denk ik met mijn onderwijservaring, maar de laatste vraag, over Charles Dickens, heeft ze uitstekend beantwoord, dus wie weet valt het reuze mee.

©Kees Klok


zondag, april 14, 2013

Brieven aan de krant


Er zijn twee websites die van mij toestemming hebben gekregen om artikelen van het Weblog Kees Klok geheel of gedeeltelijk over te nemen. Dat zijn iDordt en Dordrecht.net. Soms gebeurt dat, logischerwijze als ik iets over Dordt schrijf. Deze week zag ik ook een ruim citaat uit mijn weblog in een krant, in De Stem van Dordt. Dat is auteursrechtelijk gezien niet helemaal in orde. Nu is De Stem van Dordt geen onsympathieke krant. Ze heeft een paar keer heel aardig over mijn boeken gepubliceerd, ze staat achter FC Dordrecht en ik begrijp ook wel dat de redactie, door de wekelijkse drukte en het altijd maar weer moeten halen van de deadline, vergeten heeft even een mailtje te sturen. Ik zal dus niet direct boos gaan schreeuwen. Ik ben sowieso nogal kalm van mezelf. Vroeger was dat wel anders. In de tijd dat ik nog jong en onbezonnen was, zou de boze brief al zijn gepost.

Brieven aan de krant. Ik stuur ze zelden meer. Ik herinner mij dat De Dordtenaar begin jaren zeventig een brief van mij plaatste waarin ik de vloer aanveegde met het povere culturele klimaat in de stad. Een brief met zo'n eng, verongelijkt ondertoontje. Ik herinner mij een brief in het Amsterdamse blad Aloha, ongeveer tezelfdertijd, van min of meer gelijke strekking. Met datzelfde ondertoontje dat ik inmiddels ben gaan haten. Werd een mens maar direct van ontoerekeningsvatbare puber volwassen en bedachtzaam, maar nee, in je vroege twintiger jaren zit je, althans als man, nog in een tussenfase die soms leidt tot een soort van regressief gedrag. Dan schrijf je ineens een puberbrief aan een krant. Of je wordt ineens stoer en gaat als een wezenloze scheuren in een auto. Daarom vallen er zoveel verkeersslachtoffers in de categorie mannen tussen de achttien en vijfentwintig.

Natuurlijk ben ik een beetje afgunstig op de twintigers. De meisjes op het absolute toppunt van hun bekoorlijkheid, de jongens op het hoogtepunt van hun potentie. Al brengen ze er in bed nog vaak minder van terecht dan oudere mannen, door hun onbeheersbare geilheid, egocentrisme en gebrek aan fantasie. Onlangs stortte een nog piepjonge oud-collega haar hart bij mij uit. Haar vriend had haar in de steek gelaten. Haar nu al in het leven teleurgestelde ogen dwaalden over mijn kale kop en grijze baard. Ik dacht: misschien wordt het weer eens tijd voor een brief aan de krant.

©Kees Klok


maandag, april 08, 2013

Remco Campert


Het is niet mijn gewoonte om na een maaltijd bij de Italiaan direct naar huis te gaan. Meestal ga ik nog even naar de kroeg om de pizza af te blussen met een paar cognacjes. Daar heb ik vanavond een uitzondering op gemaakt. Om de speciale uitzending van Opium met Remco Campert te zien. Campert is mijn inspirator van het eerste uur. Na het lezen van Dit gebeurde overal wist ik dat ik dichter zou worden. Ik werd geen Campert-epigoon, maar wel klonk bij het schrijven de stem van Campert jarenlang op de achtergrond. Evenals die van Buddingh' en Eijkelboom, maar van deze drie vooral Campert. In 1969 ontmoette ik hem voor het eerst tijdens Poëzie in het Minitheater, een dichtmarathon op bescheiden Dordtse schaal, die ik presenteerde. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om een eigen gedicht voor te lezen. Toen ik het veel later eens teruglas, schaamde ik mij dood, maar Campert beantwoordde mijn puberaal gestamel met een milde glimlach.

Op 7 september 2008 was Campert een van de gasten bij Drechtsteden Gedicht, op het Hof. Hij trad op met ondermeer Levi Weemoedt, Jules Deelder en Tjitske Jansen. Het podium was buiten, enerzijds prettig omdat er gewoon kon worden gerookt, anderzijds vervelend, want het was een gure, winderige dag. Ik had een boek meegenomen voor Tjitske, met wie ik zat te praten in de foyer, bij Gods gratie geopend voor de dichters. Campert, Deelder en zijn manager kwamen er bij zitten. We spraken over Buddingh', over Tjitskes leven in Schotland en over Poëzie in het Minitheater, waarvan Campert zich weinig herinnerde. Mijn optreden van toen liet ik maar onbesproken. Deelder vertelde dat hij vroeger nogal eens in Sprankje Groen kwam, roemrucht etablissement in de zestiger jaren. Het bleek dat we een aantal gezamenlijke kennissen hadden, waarvan er niet één meer in leven is. Ineens begon hij, Deelder, met een natuurgetrouwe imitatie van de kleurrijke Dordtenaar Jan Vrolijk, die zo hilarisch was dat Campert de tranen over de wangen liepen. Zelfs Levi Weemoedt, die net van zijn optreden kwam, schoot in een gulle lach.

Die gebeurtenis komt mij weer voor ogen als ik Campert zie in Opium. Ik hoor hoe Alma Mathijsen, lekker ontspannen met een sigaret, bewonderend over hem spreekt. Ik voel daarin weer mijn enthousiasme uit de jaren '60, toen ik Camperts poëzie voor het eerst las. Een enthousiasme dat mij nooit heeft losgelaten. Het is geweldig om hem – grand old man van de Nederlandse dichtkunst – weer te horen spreken en nu en dan die milde glimlach te herkennen van toen, op dat podium van het Minitheater in de catacomben van het Dordtse stadskantoor.

©Kees Klok


woensdag, april 03, 2013

Water in wijn


Hoewel zonnig is het een koude tweede paasdag. Iedereen klaagt over de aanhoudende kou, maar als pasen heel vroeg valt, zoals nu, is het meestal koud. Een jaar of zestien geleden brachten Stella en ik een vroege pasen door bij familie in Drenthe. Er waren eieren verstopt in de tuin, waar de kinderen onvervaard gingen zoeken. Onvervaard in pyama bij een temperatuur van rond de twee graden. Mijn theologische kennis gaat niet zo diep dat ik zou weten waarom de paasdatum op zo'n malle manier wordt berekend, maar als ik paus was, schafte ik de vroege pasen in ieder geval af. Er is vast in de bijbel wel een of andere uitspraak te vinden op grond waarvan dat kan. Misschien kan ik, als men toch aan het speuren is, en passant worden ingelicht over de wijze waarop men water in wijn kan veranderen. Kennis die altijd handig is, maar zeker in tijden van crisis, als de tering naar de nering moet worden gezet. Men zegt dat het crisis is. Het wordt ons met groot fanatisme door de media aangepraat. Ik kom regelmatig in Griekenland. Daar heerst crisis. Bij ons is het meer trek hebben, maar roepen dat je vergaat van de honger.

Met kerst en pasen is mijn stamcafé gesloten. Ik ben het daar niet mee eens, maar ik ben de kastelein niet. Ik draag wel bij aan zijn welzijn, ik ben eigenlijk een soort aandeelhouder, maar dan zonder stemrecht. In mijn stamkroeg is in vele jaren niets veranderd, op de komst van een nieuw koffiezetapparaat na. Dat alles zoveel als mogelijk blijft zoals het was, maakt het etablissement extra aantrekkelijk. Ik weet al meer dan veertig jaar waar ik aan toe ben. Ook aan die slechte gewoonte om met kerst en pasen dicht te zijn. Of aan de ontstelde blik van de kastelein als iemand een bittergarnituur bestelt of een bakje noten. In mijn stamkroeg eet je poffers, een broodje bal of desnoods een tosti. Wij hebben daar al meer dan veertig jaar vrede mee. Weten waar je aan toe bent is een groot goed en dat weet ik niet in de zaak waar ik nu min of meer op goed geluk ben gaan zitten. Een mooi uitzicht op de rivier, dat wel, maar schreeuwend meubilair en een ober die al ongeduldig aan mijn tafel stond voor ik goed en wel zat. Zo'n zaak die om het jaar van eigenaar en inrichting verandert. Pure hopeloosheid op een prachtige plek.

Ondanks de pooltemperatuur zijn er toch paastoeristen in de stad. Je ziet ze wat verloren rondlopen door het vrijwel uitgestorven centrum, wantrouwig nagestaard door de enkele Dordtenaar op straat. Als ze een gidsje hebben van de VVV, waarin de poffers van mijn stamkroeg terecht worden aangeprezen, komen ze voor een gesloten deur en niet alleen daar. Dordrecht laat zich voorstaan op haar status als evenementenstad, maar kerst en pasen worden niet gezien als evenement. Dan heerst de strenge ongastvrijheid van de Dordtse Synode. Dan wordt er geen water in wijn veranderd.

©Kees Klok


zondag, maart 31, 2013

Rolde


Lupius en ik zouden samen een theaterstuk schrijven. Geen blijspel, geen tragedie, maar iets tussen toneel en cabaret in. Wij noemden het cabaretesk theater. Om ideeën op te doen besloten we tussen kerst en nieuwjaar naar het Drentse Rolde te gaan. Een min of meer toevallige keuze. Er was een hotel, dat we vooraf bespraken, en er was een hunebed dat we wel wilden zien. Het was met de bus niet ver van Assen. Eigenlijk hadden we naar Grolloo gewild. Wij bewonderden Cuby and the Blizzards, maar wat moest je je voor houding geven als je daar toevallig Harry Muskee tegenkwam?

Het was 1975, kort na de treinkaping bij Wijster. Wij arriveerden zonder problemen in Rolde. Het hotel had geen andere gasten. Het was er pijnlijk keurig. In het restaurant annex bar bediende een onberispelijke, hoewel wat zijige ober. Na het avondeten bleef de bar leeg. Wij gingen op avontuur en vonden het dorpscafé. Daar troffen we twee slecht verstaanbare alcoholisten. De volgende dag bezochten wij het hunebed, aten weer als enige ons diner en besloten dat Rolde niet de plek was om inspiratie op te doen. Wij zouden naar het nabije Groningen reizen.

In Groningen namen wij onze intrek in hotel De Doelen op de Grote Markt. We lazen veel en brachten uren door in een café dat 1672 heette en waar we schaakten. Soms gingen we naar een café in de Heerenstraat, omdat daar een Engels meisje bediende in een strak shirtje en zonder bh. Haar naam en dat van het café ben ik vergeten. 's Avonds dronken we in etablissementen als De Blauwe Engel of café Wolthoorn & Co. Op een middag zochten we een nichtje op dat in Groningen studeerde. Ze woonde in de Muurstraat, waar toen volop aan prostitutie werd gedaan. We vroegen iemand de weg. 'Daar woont een nichtje,' voegde ik er volkomen onnodig aan toe. Je zag dat de man zich afvroeg of ik niets originelers had kunnen bedenken. We vonden de Muurstraat. Het nichtje woonde op een zolderetage van waaruit je enkele hoeren achter hun raam kon zien. Wij vonden hen oud en onaantrekkelijk. Het nichtje vertelde dat ze bij haar studie fysiotherapie weleens naakt op medestudenten moest oefenen.

We sloten ons verblijf af in een bioscoop waar L' histoire d' O draaide. In de trein naar Dordrecht begonnen we eindelijk aan ons cabaretesk theater. In de weken daarna werkten we er in de avonduren aan verder. Snel tevreden waren we niet, wij bleven maar schrappen en sleutelen. Misschien wel te veel, wie zal het zeggen, een kopie heb ik niet meer. Toen het uiteindelijk af was stuurden we het naar het Ro-theater. We hebben nooit een reactie ontvangen. Na twee jaar wilden wij het zelf gaan opvoeren, maar de tekst behoefde nog enige verbetering. Wij reisden dit keer rechtstreeks naar Groningen, maar er is uiteindelijk niets van gekomen.

©Kees Klok


woensdag, maart 27, 2013

Droomwereld


Ik lees Een meisje van honderd van Marion Bloem. Buiten is het uitzonderlijk koud voor de tijd van het jaar. Een barre oostenwind houdt mij binnen. Er wacht veel werk in de tuin, maar het is er nog niet van gekomen. Ondanks de winterse temperaturen komt de kerriestruik in knop, begint de forsythia uit te lopen en steken de tulpen hun kopjes uit de grond. Marion Bloem brengt mij terug in Indische sferen. Dat 'terug' is vreemd uitgedrukt: ik ben nog nooit in Indië geweest. Ik ben gefascineerd door de geschiedenis en cultuur van het land. Tijdens mijn studie was de geschiedenis van Nederlands-Indië een van mijn favoriete vakken. Ik lees alles wat ik van de Indische letteren maar te pakken kan krijgen: van Multatuli tot Willem Walraven, van P.A. Daum tot Hella Haasse, van Tjali Robinson tot Rudy Kousbroek, Van Maria Dermoût tot Marion Bloem. Maar een reis naar Indonesië heb ik nog steeds niet gemaakt. Ik vraag mij af waarom.

Toen Stella nog leefde en ik nog in het onderwijs zat, brachten wij de vakanties vrijwel altijd door in Griekenland. Stella was teleurgesteld in het leven in Nederland, waarvan zij zich voor haar komst veel had voorgesteld. Te veel misschien. Indonesië wilde ze graag een keer bezoeken. Met vrienden uit de Nederlands-Indische gemeenschap had ze warme banden. Ze herkende in hen iets van de Griekse familiezin en hartelijkheid. Ze was dol op Indisch eten en het is tekenend dat zij zich op een gegeven ogenblik zette aan een Griekse vertaling van de Max Havelaar. Een reis naar Indonesië was echter iets voor de toekomst. Als ik met pensioen zou zijn, als we ons maar eenmaal voorgoed in Griekenland hadden gevestigd, voor haar een terugkeer die niet snel genoeg kon komen, dan kwam het reizen aan de beurt. Dan zouden we naar Indonesië gaan. Als je iets hebt om naar uit te zien, denk je niet aan fatale ziektes die je leven in een handomdraai kunnen verwoesten.

Ik heb alle tijd en gelegenheid om Indonesië te bezoeken, maar dan moet ik zonder Stella gaan. Haar vertaling van de Max Havelaar bleef onvoltooid. Misschien is dat het wat mij weerhoudt? Ik ben ook geen groot reiziger, meer een huiskameravonturier, maar ik denk niet dat het daar aan ligt. In al die jaren heb ik mij een beeld van Indië gevormd, een ideaalbeeld. Een droombeeld dat al begon te ontstaan toen ik als kleine jongen een kinderboek las over de dochter van een Indische sultan. Een meisje even beeldschoon als Marion Bloem. Daarna is mijn voorstelling almaar uitgegroeid tot het Indië dat ik in mij draag. Ik ben bang dat dat verloren gaat in een confrontatie met de werkelijkheid. Bang dat ik in plaats van sultanskinderen geloofsfanaten tref, in plaats van landwegen asfaltstroken met een walmende chaos, bang dat de dromerige kampong uit de verhalen van mijn grootvader, die in de jaren '20 de archipel bevoer, nu een stadswijk vol hoogbouw is. Ik weet ook wel dat de tijd zijn invloed heeft en dat droombeelden irreëel zijn, maar toch. In Een meisje van honderd zit een ansichtkaart met een foto van Ivan Wolffers. 'Groeten uit Bali.' Op de voorgrond zie je het silhouet van Marion Bloem, die op een muurtje zit te schrijven. Op de achtergrond een landschap met sawahs en een smaragdgroene berg. Ik ben er nog niet uit. Ga ik de verre reis maken of kan ik maar beter in mijn droomwereld blijven?

©Kees Klok




maandag, maart 25, 2013

Meekrap


Meekrap. Een woord dat ik lang niet meer hoorde en dat mij ineens invalt. Om onnaspeurbare reden. Een woord dat ik onmiddellijk associeer met de lagere school, waar de meester op een landkaart een gebied aanwees, waarna wij moesten scanderen welk gewas of product er vandaan kwam. Strokarton, bijvoorbeeld, uit het hoge noorden, waar je ook het aardappelmeel situeerde. Meekrap. Het woord sprak tot mijn verbeelding. Het leek haast de naam voor een dier. Het werd vooral verbouwd op de Zeeuwse eilanden en op Goeree-Overflakkee. 'Goeree-Overflakkee hoort nog bij Zuid-Holland.' De meester liet niet na dat te benadrukken en altijd klonk er teleurstelling in zijn stem. Hij was van Rilland-Bath, een echte Zeeuw, behalve dan dat hij naar de remonstrantse kerk ging op zondag.

Meekrap. Er werd een of andere kleurstof van gemaakt. Zou er op de eilanden, Zeeuws of niet, nog meekrap worden verbouwd? Ik zou het niet weten. Toen ik een jaar of twaalf was, brachten we een zomervakantie door in Ouddorp. We waren vooral op het strand. Nooit kwam het in mij op om eens op zoek te gaan naar een akker met meekrap. Ik kan een aardappelplant van een kroot onderscheiden en een korenaar van een stengel maïs, maar veel verder reikt mijn kennis der gewassen niet. Al zou ik van de dijk waaien, rechtstreeks de meekrap in, ik zou het niet als zodanig kennen.

Vanuit Ouddorp fietsten we op een wat mindere stranddag naar Dirksland, een stadje waar ik mij niets van herinner. Het is de geboorteplaats van de schrijver Willem Walraven (1887-1943). Zijn moeizame bestaan in Nederlands-Indië heeft een prachtig oeuvre aan cursieven en vooral aan brieven opgeleverd. Zijn Brieven, in 1966 bezorgd door zijn neef F. Schamhardt en in 1992 herdrukt, vermeerderd met een aantal brieven, is een boek dat ik altijd onder handbereik heb. Als het een keer tegenzit zoek ik mijn heil nog weleens bij Brieven of bij het Geheim Dagboek van Hans Warren (1921-2001). Als onze meester zijn zin had gekregen, had ik 'allebei Zeeuwen' kunnen zeggen. Als bewoner van het Eiland van Dordrecht voel ik een zekere band met andere eilanders, mits ontworsteld aan de ijzeren beklemmingen van het geloof. Er is wat aan de hand in Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden, waar na Walraven en Warren twee nieuwe generaties schrijvers en dichters zijn opgebloeid. Ik noem er een aantal: André v.d. Veeke, Johan Everaers, Jan J.B. Kuipers, Laurens Geerse, Wim Hofman, Meindert Inderwisch, Yvonne Né, Theo Raats, Franca Treur, Anneke Schenk, Thom Schrijer, Lou Vleugelhof en ik zal ongetwijfeld nog iemand vergeten. Het leeft en gonst in die contreien, vooral rond het literaire tijdschrift Ballustrada.

Vlak ook het Dordtse literaire leven niet uit. Op 4 april debuteert het jonge talent Josse Kok in de Bordeauxreeks van de Dordtse uitgeverij Liverse. In de afgelopen jaren verschenen er boeken van stadsdichter Marieke van Leeuwen, Wim Jilleba, Klaas Blokhuis, Jehanne Hulsman, Pieter Breman, Peter M. v.d. Linden, Jan v.d. Geer, Danny Kroonen, mijzelf en ook nu zal ik wel iemand over het hoofd zien. Jacoline de Heer eindigde voor het derde jaar op rij hoog bij de Turing poëziewedstrijd en de Dordtse Dichterskring bloeit als nooit tevoren. Dit alles terwijl de literatuur in Dordrecht traditioneel het ondergeschoven kindje van de kunsten is.

Het gaat economisch wat minder in Nederland. Dat mindere wordt in de media voortdurend uitvergroot, waardoor mensen gaan geloven dat we in de grootste crisis aller tijden zitten. Dat is baarlijke nonsens. Wat geen grote onzin is, is de bloei van de schone letteren tussen Dordrecht en Terneuzen. Zoals wij vroeger 'meekrap!' scandeerden, zo roepen de schoolkinderen van nu aanstonds 'proza en poëzie!' Dat is wat anders dan al het gehuilebalk over de economie.

©Kees Klok





maandag, maart 18, 2013

Zolders


Onderweg van Dordrecht naar Haarlem stopt mijn trein in Delft. Ik vind Delft een tikje bijzonder. Niet vanwege de technische universiteit, al gebeuren daar ook bijzondere dingen, waarvan ik meestal weinig begrijp, maar vanwege de trein. Die rijdt er even zo dicht langs de huizen dat je bij de mensen op hun bord kunt kijken. Als hij niet te snel gaat en als die mensen niet schuilgaan achter vitrage of lamellen. De trein rijdt ter hoogte van de eerste verdieping. Soms vang je een glimp op van iemand aan een eettafel of bureau. Nogal wat van die huizen ogen slecht onderhouden en armoedig. Vergane glorie waar, denk ik, veel kamerverhuur is door twijfelachtige pandjesbazen, die zelfs op zolder wat hokjes hebben afgeschoten om nog enkele huurpenningen extra te kunnen innen. De zolderverdiepingen liggen te hoog voor de trein, terwijl zij mij juist het interessantst lijken. Wat speelt zich op het ogenblik van langsrijden niet allemaal op die zolderkamertjes af?

Zolders spraken in mijn kindertijd altijd tot mijn verbeelding. Zo'n afgelegen, weinig bezocht deel van een huis kon iets mysterieus hebben als het vol stond met stoffige getuigen van een verleden dat je nog moest ontdekken. Het was er weleens een beetje spookachtig, zoals op de zolder van ons huis achter de remonstrantse kerk, waarvan een deel was afgeschoten door gordijnen die af en toe zomaar bewogen. Je wist ook wel dat het door de tocht kwam, maar evengoed huiverde je soms. Zolders, ze prikkelden de fantasie. Op die van mijn grootvader op de Vrieseweg stond een deel van de winkelvoorraad met daartussen een ijzeren gevaarte waarmee koffie werd gemalen. Op die zolder geurde het altijd heerlijk naar koffie. Ik waande mij in het ruim van een Oost-Indiëvaarder die rijk beladen met koopwaar moest zien te ontsnappen aan de Duinkerker kapers. Op onze eigen zolder, onder een paar stevige hanenbalken, vocht ik zeeslagen uit met zelfgebouwde modellen van oorlogsbodems. Een vroegere koster was ook kunstschilder, vandaar het woord Atelier op de deur. Ik vond dat voornaam. Wij hadden geen smerige zolder vol kolengruis, zoals bij Jopie de Wit naast opa, wij hadden een Atelier. Tegen de tijd dat ik de meisjes begon te ontdekken werd de zolder omgebouwd tot twee ruime slaapkamers omdat de Engelse familie na het overlijden van oma voortaan bij ons zou logeren. Aan de ene kant vond ik dat geweldig, maar de kans om met een meisje verboden heerlijkheden uit te halen onder de hanenbalken werd voorgoed verwezen naar het domein van de fantasierijke dromen.

De trein rijdt verder, Delft verdwijnt uit beeld. In 1980 kocht ik mijn huis in Dordrecht, ook te zien vanaf het spoor. Ik kocht het vooral om de veranda, die het een koloniaal aanzien geeft, en vanwege de tuin en de gunstige ligging ten opzichte van station en stadscentrum. Ik woon er comfortabel, al is het bijna honderd jaar oud en onderhoudbehoevend, maar één ding mis ik, want een zolder is er niet.

©Kees Klok


dinsdag, maart 12, 2013

Onder moeders oog


Het voorjaar lijkt aangebroken op het terras van het Varken. Er hebben zich in de tien minuten dat ik hier zit reeds vijf mensen aan mijn tafel vervoegd inzake straathandel of financiële ondersteuning. Een lotenverkoopster, een weduwe met vier kinderen (die gezien haar leeftijd al dik volwassen moeten zijn), een man met papieren zakdoekjes, een zigeunerin met een traan in het oog, maar verder degelijk bedekt, en tenslotte een breed lachende Afrikaan met wandelstokken, voorzien van ingebouwde verlichting, in de aanbieding. Het wachten is op de volgende passant, die zich in de verte al aankondigt met een trompet. Je verveelt je geen ogenblik en al zie ik liever een charmante studente verschijnen, deze bezoekers geven bepaald kleur aan het straatbeeld, al is het niet altijd een kleur waar je vrolijk van wordt. Er schuilt veel leed en ellende achter al die verzoeken en aanbiedingen. Of het nodige bedrog, maar dat kun je er in zo'n korte ontmoeting niet aan afzien. Vorig jaar werd ik aangeklampt door een zigeunermeisje van een jaar of tien. Ze had honger. Ik had toevallig een zak bourekakia (kaasbroodjes) bij me, waarvan ik haar de helft gaf. Ze begon met graagte te eten. Een andere keer vroeg net zo'n meisje om geld voor de bus. Ik reikte haar een kaartje aan, maar dat werd verontwaardigd van de hand gewezen. Dat de crisis heftig toeslaat merk je minder aan het straatventen en bedelen. Dat was voor de maatschappelijke instorting een even levendige zaak. Je ziet het wel op het terras. Dat zou een paar jaar geleden om deze tijd en met dit weer beslist vol zijn geweest. Nu tel ik hooguit een vijftal oudere dames.

Lang geleden schreef ik op dit terras een gedicht over de Agia Sophia, die zich aan de overkant koestert in de zon. Haar koepel is bedekt met koper. Hoe lang nog voor iemand naar boven klimt om een plaat te jatten? Je hoort wat dat betreft de wildste verhalen. Uit parken en plantsoenen worden de bronzen koppen van nationale helden gestolen. Inbrekers zouden de elektrische bedrading uit zomerhuizen slopen. In het najaar al bleek de koperen lantaren van Stella's graf gestolen. Het lijkt mij meer het werk van de georganiseerde misdaad dan van de werkloze huisvader die door zijn radeloze, redeloze en hardvochtige regering tot wanhoop is gedreven. Een leuke Chinese biedt mij kettingen te koop aan, maar de enige kettingen die ik bij gelegenheid draag zijn die van het Dordtse Big Rivers festival, dat ook al slachtoffer van de door iedere verstandige econoom veroordeelde bezuinigingshysterie dreigt te worden. Ze mogen daar trouwens weleens wat aan de administratie doen. Meer dan een jaar geleden gaf ik een machtiging af om het festival op bescheiden wijze te ondersteunen, maar het bedrag is nooit afgeschreven.

Terwijl ik nog maar eens mijn arrogante hoofdknikje (dat nee betekent) toepas, denk ik aan mijn goede vriend Takis. Hij vertelde mij dat zijn koumbaros binnenkort waarschijnlijk de bak indraait omdat hij een EU-subsidie voor zijn inmiddels failliete bedrijf heeft gebruikt om een villa te bouwen en zich te vertreden in het casino. Daar heb ik niet zo'n medelijden mee, maar ik heb die man vaak op feestjes bij Takis meegemaakt. Ik had het niet verwacht, wat mij ernstig doet twijfelen aan mijn mensenkennis. Ik ben niet voor psycholoog in de wieg gelegd, geloof ik. Over een week begint het proces tegen Psomiadis, de voormalige 'onderkoning' van Macedonië, die als periferiarchis, zeg gouverneur van de provincie, van allerlei flessentrekkerij wordt verdacht. President van de rechtbank is de zoon van de weduwe K., oudere zus van de beste vriendin van Stella. Ik wens hem veel wijsheid en vooral een onafhankelijk oordeel toe. Gisteravond sprak ik de weduwe K. Ze gaat het proces bijwonen. Ik hoop dat ze haar zoon scherp in de gaten houdt.

©Kees Klok


woensdag, maart 06, 2013

Onverbeterlijke optimist


Op mijn homepage heb ik ooit een aantal citaten van schrijvers gezet. Stella voegde er een aantal aan toe van Grieken die ze had vertaald. Ik zou de collectie eens moeten bijwerken, maar het is net als met het opruimen van de vliering, het komt er maar niet van. Nu en dan noteer ik nog weleens een uitspraak uit een boek of tijdschrift. Meestal uit een dagboek. Die vormen de rijkste bron van citaten. Ze staan in een schriftje te wachten op hun plaats op het internet. Als de zon een flinke magnetische storm op ons loslaat gaat het hele internet misschien wel in één keer naar de bliksem. Dan keren we terug naar de pen, het papier en de postbode. Gelukkig heb ik dan dat schriftje nog. Tenzij er brand uitbreekt of het bezuinigingsgeloof van degenen die wij knarsetandend toestaan ons te regeren, leidt tot verwaarlozing van de dijken. Dan loopt het land onder. Mijn goede vriend G., die op de Hondsrug woont, ontspringt de dans. Zijn erf verandert in een strand, waarop hij ligstoelen zet voor ramptoeristen. Baden in zee in Drenthe, het enige stuk Nederland zo'n beetje dat samen met de Veluwe, Limburg en een hapje Brabant boven water uitsteekt. Voor de optimistische futurist is er ook nog de mogelijkheid van een flinke meteoriet. Een paar knallen en weg is de Randstad. In plaats van het laatste oordeel het laatste vuurwerk.

'We hebben een mooie toekomst achter ons,' schreef iemand mij, 'en ik ben blij geen kinderen te hebben.' Ik weet dat zo net nog niet. Als je oud en der dagen zat bent en je hebt je huis en je laatste spaarcenten opgegeten, wie moet dan je kont afvegen als je de wijkzuster niet meer kunt betalen? 'In dit land word je verzorgd van de wieg tot het graf.' Ik hoor het mijn moeder nog zeggen, ergens in de jaren '60 van de vorige eeuw, toen de resultaten van de wederopbouw een glanzende toekomst beloofden. Ondertussen werd de generatie geboren van misleide sekteleden die achter de hogepriesters van de hedgefunds en het neo-liberalisme aanloopt. Ik ben een onverbeterlijke optimist. Ik kijk naar al die opgewekte studentes in Loxias met hun inspirerend korte rokjes en denk: in Griekenland is het écht crisis, maar die jongelui laten zich niet kennen. De jeugd is per definitie onbezorgd en opa Klok, in zijn hart ook nog maar drieëntwintig, neemt daar graag een voorbeeld aan.

'Men kan beter aan de heidenen overgeleverd zijn dan aan de gelovigen.' Een citaat van C. Buddingh' op mijn homepage. Buddingh' schreef wel meer verstandige dingen in zijn dagboeken, al wil W.F. Hermans ons anders doen geloven. Hij groeide op in de crisis van de jaren '30, toen ook mijn moeder jong was, een meisje uit Loxias. Zo'n crisis mocht nooit meer gebeuren, werd na de Tweede Wereldoorlog beslist. Geschiedenis is allang geen verplicht vak meer en de mensheid heeft een kort geheugen. Ik heb geen kinderen. Ik vraag mij af welk meisje later, uit liefdadigheid, mijn kont afveegt.

©Kees Klok



zondag, maart 03, 2013

Hedendaags Byzantium


Zo'n sombere, bewolkte dag als vandaag komt gelukkig niet vaak voor. Als ik er aanleg voor had, zou ik neerslachtig worden. Thessaloniki is doorgaans een levendige, prettige stad, maar niet onder een ondoordringbaar wolkendek. Ik neem de bus naar het centrum. Achter mij praat een meisje in haar mobiel. Ze is bezig haar verkering uit te maken. Soms heb je de indruk in een rijdend call centre te zitten, maar zo hoor je weleens wat. Koud is het niet. Toch draagt de man aan de andere kant van het gangpad een ijsmuts. Daaronder twee intens moedeloos starende ogen. Het is een dikke, doorrookte man. Een type dat je nog weleens ziet achter het stuur van een Audi of een BMW, maar dan een heel oude.

Ik moet steeds denken aan oud-burgmeester Papayorgopoulos, die pas tot levenslang is veroordeeld wegens verduistering van een paar flinke zakken geld. Geld dat tot op heden nog niet bij hem is gevonden, al kan dat nog komen. Gisteravond op het eten bij een nicht was hij het onderwerp van buitensporige verontwaardiging. Alsof het instorten van de Griekse economie ineens geheel het werk was van de oud-burgemeester. Het was een gesprek dat overkookte van de elementaire wraakzucht. Ik heb niet veel gezegd. Ik spreek te zacht voor een Griekse discussie. Ik zit er bovendien een beetje mee. De schoonzus van Papayorgopoulos, lerares Frans, was een collega en een goede vriendin van Stella. Ik ken de familie enigszins en heb de oud-burgemeester weleens ontmoet. Even geleden, dat wel, want na de dood van Stella verliep van lieverlee het contact. Ik kan mij niet voorstellen dat die keurige, aardige man een crimineel is, al weet ik ook wel dat de grootste oplichters rondlopen in maatpakken.

De rechter heeft gesproken. Als ik kijk wat er zoal is voorgevallen in de afgelopen jaren vrees ik dat de Griekse politiek nog heel wat Byzantijnse trekken heeft, dus vol intriges zit. Ik ben er niet zeker van hoe het met de onafhankelijkheid van de rechtspraak is gesteld. Op papier zal het allemaal wel in orde zijn, maar hoe is de praktijk? Een integere, onafhankelijke rechtspraak in een land met een dramatisch falend politiek systeem, dat kan. Niets is onmogelijk. Ik weet het niet. Het zou kunnen dat Papayorgopoulos gelijk heeft als hij zegt dat hij het slachtoffer is van een politiek proces, maar ook als dat niet het geval blijkt, lijkt Byzantium in Griekenland meer aanwezig dan mij lief is. Dat schept een akelig gevoel van onbehagen.

©Kees Klok


donderdag, februari 28, 2013

Buiten elke proportie


Oud-burgemeester van Thessaloniki, Papayorgopoulos, is in hoger beroep tot levenslang veroordeeld. Is hij lid van de junta geweest? Was hij leider van een terroristische organisatie, of een seriemoordenaar? Nee. Hij wordt er van beschuldigd achttien miljoen euro uit de gemeentekas te hebben gefraudeerd, samen met twee topambtenaren, die overigens een beduidend lagere straf kregen. Papayorgopoulos ontkent, zegt dat hij er in is geluisd en dat het gaat om een politiek proces. Achttien miljoen euro uit de algemene middelen ontvreemden is een ernstig delict, maar dat rechtvaardigt niet de buitenproportionele en inhumane straf van levenslang. Het vonnis wekt de schijn dat er iemand moest worden geslachtofferd om de groeiende volkswoede over alweer een kortingsronde op de salarissen en de pensioenen wat tot bedaren te brengen. In zo'n geval is de oud-burgemeester van Griekenlands tweede stad en voormalig minister van sport, nog maar net weg uit de politiek, een ideale pion. Ik weet niet of het zo is, maar de volstrekt doorgeschoten strafmaat geeft in ieder geval ernstig te denken.

Ik kom al meer dan vijfentwintig jaar in Thessaloniki, maar nu pas heb ik een nieuwe wandelroute ontdekt, die nota bene bijna voor de deur begint. Je blijkt vanaf de super om de hoek helemaal tot aan het einde van Charilaou te kunnen lopen, over het pad langs de beek die het regenwater afvoert. Een wandeling van zo'n anderhalf uur. Het pad is een soort groen longetje. Je wordt niet gehinderd door doodrijders in auto's of op motoren, wat het lopen bepaald veraangenaamt. Als ik van huis naar het centrum loop, moet ik voortdurend op mijn hoede zijn voor wat er uit de zijstraten komt stuiven. Met een groen voetgangerslicht oversteken is riskant. Verkeer dat afslaat trekt zich zelden iets aan van legaal overstekende voetgangers en er is altijd kans op de spreekwoordelijke idioot die door rood rijdt omdat hij of zij met de mobiel in de weer is. In de bus ben je ook niet altijd veilig. Pas had ik alweer een chauffeur die druk met zijn mobiel zat te bellen en niet hands free. Als ik in alle rust wil wandelen ga ik naar het bos van Seïch-Sou, maar het pad langs de beek is voor af en toe heel aardig. Je hoeft er maar even van af te wijken en er is wel ergens een zaakje voor de ochtendkoffie.

Ochtendkoffie met de krant op een terras zit er voor Vassilis Papayorgopoulos voorlopig niet in, maar ik hoop dat hij zijn zaak tot aan het hoogste rechtscollege gaat uitvechten. Ik hoop dat het vrijspraak wordt. Ik heb hem een aantal keren ontmoet en ik geloof in zijn onschuld. Ik krijg graag gelijk. Het nut van gevangenisstraf valt ernstig te betwijfelen. Er is nog nooit iemand beter van geworden, maar dat is een ander onderwerp. Meent de hoogste rechter uiteindelijk dat een straf terecht is, laat die dan niet buiten elke proportie zijn, zoals nu.

©Kees Klok


zondag, februari 24, 2013

Fenomeen


Als ik Loxias binnenstap zie ik Margot zitten, een oud-leerlinge. Zij heeft vrijwilligerswerk in Vietnam gedaan en nu, met de Griekse crisis.... je weet maar nooit. Ik hang mijn jas op en loop naar haar tafeltje om haar te begroeten. Ze kijkt me verbaasd en een beetje verschrikt aan. Het is een Griekse dubbelgangster. Eentje die wel erg op haar lijkt. Het is mij al een paar keer overkomen dat ik in Thessaloniki een evenbeeld zag van een bekende uit Nederland. Toch lijken de gemiddelde Griek en de gemiddelde Nederlander niet erg op elkaar.

Dubbelgangers, soms is het een griezelig fenomeen. Lupius heeft een neefje dat sprekend op hem lijkt. Toen Lupius overleed, sprak ik op zijn begrafenis. Zijn neefje zat op de eerste rij. Het was alsof Lupius in levende lijve op zijn eigen begrafenis was. Het maakte het spreken niet gemakkelijker. Voor een ander worden aangezien kan akelige gevolgen hebben. Je evenbeeld zou maar net een ripdeal hebben gepleegd, of de vrouw van een psychopaat hebben bekend. Ik heb een neef die sprekend op mij lijkt, maar hij is een kop groter, woont ver weg en is bovendien van onbesproken gedrag. Toch ben ik er niet gerust op. Men zegt dat er in Dordrecht een dubbelganger van mij rondloopt. Ik hoop dat ze hem goed in de gaten houden.

Ik mag dan behoorlijk Grieks spreken, ik zie er met mijn groene ogen en lichte huid allerminst Grieks uit. Toch wordt mij om de haverklap in Thessaloniki de weg gevraagd en meestal door Grieken. Het verbaast mij dat ik die weg vaak nog weet ook, al spreekt men mij natuurlijk vooral aan in mijn eigen buurt, of in het centrum, waar ik goed bekend ben. Eén keer werd mij de weg naar Nederland gevraagd. Ik zat met Stella op de laatste bus te wachten, na een bezoek aan de openluchtbioscoop aan de Stratosboulevard, toen er twee auto's met Nederlandse kentekens stopten. Een Grieks ogende man stapte uit en vroeg iets in gebroken Engels. 'Het mag ook in het Nederlands, hoor,' zei ik, waarna het gesprek vlotter ging. Twee Turkse families uit Alblasserdam, bijna buren dus, die een verkeerde afslag hadden genomen en nu weer richting Turkije koersten. We zetten hen op het goede spoor, maar vroegen ons wel af waarom ze terug wilden door de landen van het voormalige Joegoslavië. Wij reisden via Italië. Veiliger, makkelijker (de veerboot doet een deel van het werk) en niets duurder, want je hebt niet bij elke grens een pet die een paar tientjes verstopt in je groene kaart wil om vlot doortocht te verlenen.

Het is druk in Loxias. Dat komt in deze tijd nog maar weinig voor. 'Margot' heeft kennelijk iets te vieren. Haar gezelschap breidt zich almaar uit. De stamtafel moet helemaal de hoek in. Een mooie aanleiding voor mij om het niet te laat te maken. Ik ben moe. Vanmiddag heb ik de vijf kilometer van het centrum naar mijn huis gelopen, omdat ik geen zin had in een uitpuilende bus en ook niet in een taxi, maar het is wel bijna allemaal heuvelopwaarts. Het hoeft ook niet iedere avond drie uur te worden. Ik neem afscheid en vertrek. Buiten vragen twee meisjes mij waar de Isavronstraat is. 'Daar zijn jullie.' Ze kijken alsof ik hen een oneerbaar voorstel doe en lopen snel door.

©Kees Klok


donderdag, februari 21, 2013

Jammer


Ik zie mezelf nog niet bij Visser met een paar vrienden door de zaak dansen. Dat zou grote verbazing wekken. Tenzij ik stomdronken ben, een staat waarin degenen die me kennen mij zelden zullen aantreffen, want voor de stoppen bij opa Klok doorslaan gaat de ingebouwde veiligheid af en val ik braaf in slaap. Gewoon met de kop tussen de pinda's en salades, in vredige rust. Zodoende heeft een Chinees mij weleens in zijn restaurant bij de Antwerpse haven 's morgens tegen een uur of vijf uit een bord bami gevist. De natuur is soms genadig, al is ze dat maar zelden. In Loxias is het volstrekt natuurlijk dat er in de late uurtjes, wanneer de rebetica de boventoon voert, iemand opstaat voor een chiftetelli of een zeibekiko. Soms gaat het hele gastenbestand met de voeten van de vloer voor een of andere volksdans. Opa Klok doet dan enthousiast mee. Ik ken alleen de chasaposerviko, maar na een fiaaltje tsipouro doe ik welke dans dan ook moeiteloos mee. In zo'n geval spreek ik ineens ook veel vlotter Grieks. Ik vind dat een wonder.

In Utrecht werd ter gelegenheid van Gedichtenweek een gratis dichtbundel met werk van het Utrechts Dichtersgilde op straat uitgedeeld. Het deed mij denken aan de Dordtboeken die een mensenleven lang geleden gratis werden uitgedeeld in de Boekenweek. Gildemeester Chrétien Breukers stuurde een pakketje voor de leden van de Dordtse Dichterskring, een sympathiek gebaar dat erg op prijs wordt gesteld. Het is een mooi vormgegeven, handzame bloemlezing, waar ik bijna dagelijks even in lees. Ik ben poëzieredacteur, geen criticus, dus verwacht van mij geen recensie, maar neem wel van me aan dat er boeiende, bijzondere en verrassende gedichten instaan. De gratis Dordtboeken kosten hier en daar een aardig bedrag in antiquariaten en op boekenmarkten. Over een mensenleven gaat deze bloemlezing, getiteld Het Utrechts Dichtersgilde gaat dwars door de stad, het in die wereld ook heel goed doen, voorspel ik. Om te weten of ik gelijk krijg moet ik minstens 111 worden. Of ik dan nog door Loxias dans of bij Visser verliefd zit te worden op meisjes 'van mijn leeftijd, alleen tachtig jaar jonger' (vrij naar Gerard Reve) is nog maar de vraag.

'Vreemdgaan doe je gewoon,' schrijft Ellen Deckwitz in haar gedicht Vincent. Ik moest aan die regel denken toen ik hoorde van een jonge vriend dat hij vertrokken is bij zijn, nog jongere, vriendin. Een stel dat mij dierbaar is en waarvan ik het erg jammer vind dat ze uit elkaar zijn. Een moreel oordeel heb ik er niet over. Ook niet als er vreemdgaan in het spel zou zijn, wat ik niet weet, maar het is het zoveelste bevriende paar dat uit elkaar gaat en dat verdriet mij. Bijna altijd als vrienden verschillende wegen inslaan verlies je er een uit het oog. Ik wil dat niet, maar het gebeurt vrijwel automatisch. Ik wil eigenlijk dat alles wat goed is goed blijft en nooit verandert. Zoals er in poffertjessalon Visser in feite nooit iets verandert, waardoor het zo'n prettig thuis blijft. Alleen, wat aan de oppervlakte goed lijkt, blijkt dat in de praktijk toch niet altijd te zijn. Een van de vele akelige kanten van de (menselijke) natuur waaraan ik nooit zal wennen.

©Kees Klok


zaterdag, februari 16, 2013

In het voetspoor van...


Alice stuurt mij The Complete Poems and Songs van Robert Burns. Ik ben er blij mee. Het is lang, heel lang geleden dat ik in Schotland het geboortehuis van Burns bezocht. Dat was in 1978. Ik was op doortocht naar de Hebriden, op weg naar Ullapool, vanwaar je naar Stornoway op Lewis kunt varen. Ullapool maakte op mij zoveel indruk dat ik er een gedicht over schreef. Ik had in die tijd als beginnend dichter nog geen uitgever. Ik zette het in Onder Slieve League, een bundel in eigen beheer. Het boekje ziet er niet uit, maar ik vind het vers Middag in Ullapool nog steeds heel aardig. Ullapool was zonovergoten zomers. Op die reis viel nauwelijks regen, ondanks de reputatie van Schotland op dit gebied. De enige dag dat het goot was in Lochmaddy op North Uist, een door en door calvinistisch gat. Op een zondag. In de loop van de dag reed ik naar Lochboisdale op South Uist. Daar zwaait Rome de scepter, scheen de zon en waren de pubs wel open.

Mijn oud-leerlinge Alice is al vele jaren lerares geschiedenis in Schotland. In mijn voetsporen getreden, maar op afstand. Mijn oud-leerlingen verspreiden zich meer en meer over de wereld. Werk, studie of toeval. Zo'n toeval dat Stella en mij bij elkaar bracht in Minneapolis en haar vervolgens naar Dordrecht. Ik ken het toeval van Alice niet, maar een Dordts meisje in de Schotse hooglanden, dat spreekt tot de verbeelding. Nog niet zo lang geleden sprak ik haar toen ze even in Nederland was. Ik vertelde van mijn belangstelling voor Burns en andere Britse schrijvers, vooral uit de 18e en 19e eeuw.

Ik ga mij weer eens terdege verdiepen in de poëzie van Schotlands nationale bard. Daarna wil ik naar Schotland voor zijn brieven en dagboeken. Die kan ik met een handomdraai bestellen, maar ik ben een enthousiast bezoeker van plekken waar schrijvers zijn geboren, hebben gewoond en gewerkt. Zo was ik laatst in augustus in Portsmouth, de geboorteplaats van Dickens, en in december in Londen in een huis waar hij heeft gewoond en dat nu het Charles Dickens Museum is. Eveneens in augustus bezocht ik Steventon in Hampshire, waar Jane Austen woonde. Een van mijn favoriete plekken is Plas Newydd in Wales, het landhuis van The Ladies of Llangollen. Eleanor Butler en Sarah Ponsonby hebben zelf weliswaar geen literaire faam, maar zij ontvingen wel talloze dichters en schrijvers. Het is een plaats waar ik graag terugkom. Ik was in het huis in Grasmere waar William Wordsworth woonde met zijn zus Dorothy, die daar een boeiend dagboek over bijhield. Ik moet beslist een keer naar Dorchester, naar Max Gate, waar Thomas Hardy lang woonde. Misschien moet ik weer eens op reis door Engeland, Wales en Schotland, in het voetspoor van mijn favoriete schrijvers. Bij voorkeur met het vervoer uit de 19e eeuw, de stoomtrein en de postkoets, maar het zal wel een huurauto worden. Van het riante voorschot dat mijn uitgever mij voor deze geheide bestseller gaat betalen. Wie weet kom ik dan nog wel meer oud-leerlingen tegen. Ik weet van Margriet in Londen en van Mariëlle in Oxford. Misschien wordt het tijd voor een oproep op Facebook, maar eerst moet ik even met Heer Uitgever in conclaaf.

©Kees Klok


donderdag, februari 14, 2013

Winterreis


Het is koud in de trein waarin ik van Haarlem naar Dordrecht rijd. Het lijkt alsof de luchtkoeling aan staat in plaats van de verwarming. Buiten vriest het een paar graden, maar de oosterstorm maakt er een pooltemperatuur van. Als de trein een tijd stilstaat tussen de weilanden begint ineens een stem onverstaanbaar te kraken uit een defecte luidspreker. Ik krijg een deprimerend gevoel van armoede en desolaatheid. Het helpt niet dat ik de enige reiziger in de eerste klas ben. De trein gaat weer rijden. Niet eens zoveel te laat komen we aan in Dordrecht, het eindpunt. Over het eindpunt heerst ook de ijzige oostenwind. Ik denk even aan een taxi, maar ga toch lopen. Het is maar vijfhonderd meter. Ik kom net uit de middeleeuwen. Toen kon je van acht euro, zestien gulden zestig, ik weet niet hoe lang leven. De winters moeten bitterkoud zijn geweest. Centrale verwarming was er niet. Niet meer. De Romeinen kenden het principe en pasten het ook toe. Ergens tijdens de volksverhuizingen ging die kennis tijdelijk verloren.

Ik ontmoette in Haarlem een bevriend schrijfster. Het was te guur voor een wandeling. Bij Brinkman op de Grote Markt dronken we koffie en een aperitief. Schuin tegenover Brinkman is een hotel. Een naam is nergens te zien, maar lang geleden heette het De Vergulde Adelaar. Ik heb er eens gelogeerd. Armoedige kamers en een armoedige clientèle. Meer een kip dan een adelaar. Misschien is het nu wel een alleraangenaamst logies. Ik weet dat niet. Ik moest terug naar Dordrecht.

Rillend in mijn kashmirwollen winterjas in de armoede van die trein dacht ik aan De Vergulde Kip. Reizen in het hart van de winter moet je zoveel mogelijk vermijden. Toch was ik in het weekeinde op pad. Zaterdag las ik voor uit mijn boek Op koers bij een Dickensdiner in de buurt van Emmen. Ik overnachtte op een landgoed. De volgende ochtend lag er sneeuw, maar toch reden de treinen op tijd. Dat vertelde ik de bevriende schrijfster terwijl wij aten in Het Goede Uur. Je waant je daar in een vijftiende eeuwse taveerne. Ik weet niet of ze in die eeuw kaasfondue kenden. Wij aten een kaasfondue die naar mij is genoemd. Op haar voorstel. 'Kees-fondue,' dacht ik, 'dat zal wel iets zouteloos zijn uit de keuken van de groenvoerlobby,' maar het smaakte voortreffelijk. Daarna namen we calvados en thee. Ik calvados. Vervolgens moest ik naar het station. De sneeuw was weggedooid, maar de plassen op straat begonnen alweer te bevriezen. Op het station namen wij rillend afscheid. Wij kennen elkaar al heel lang. Later bedacht ik dat haar ogen nog steeds hartverwarmend mooi zijn. Daar schiet je niet veel mee op in zo'n koude trein, maar hartverwarmende gedachten moet je altijd de ruimte geven.

©Kees Klok



maandag, februari 11, 2013

Niki Marangou (1948 -2013)


Eén keer heb ik gebraden duif gegeten. Op Cyprus, in het najaar van 2005, bij de dichteres Niki Marangou. Zij was een van de mensen die ons geweldig hebben geholpen bij het verzamelen van materiaal voor de bloemlezing Wij wonen in een taal, die ik in 2004 met Stella publiceerde. Wij gingen het resultaat op Cyprus bezorgen. Niki nodigde ons bij haar thuis op het eten, in haar paradijselijke tuin in Agios Dimitrios. Ik die tuin liep een nest jonge honden waar wij verrukt van waren. Ooit zouden wij zo'n hond nemen als wij ons voorgoed in Griekenland hadden gevestigd en niet meer voortdurend hoefden te reizen.

Twee jaar na het overlijden van Stella vloog ik naar Cyprus voor een geschiedenisconferentie. Ik was nauwelijks aangekomen in mijn hotel of er arriveerde al een uitnodiging van Niki. Dit keer bracht ik haar de postume dichtbundel van Stella. We aten weer in de paradijselijke tuin. Ook de schrijver Nikos Nikolaou-Hatzimichaïl, een goede vriend, was aanwezig. Na een zonovergoten middag namen wij afscheid. Niki gaf mij een handgemaakt boekje met enkele van haar gedichten. Ik koester het nog steeds. We zouden elkaar spoedig weerzien, op Cyprus of in Thessaloniki. Niki kwam een paar maal naar Thessaloniki, maar toevallig in perioden dat ik in Nederland was. Wel hielden wij contact. Nikos stuurde mij zijn prachtige dichtbundel Διθαλάσσου (Van twee zeeën). Niki maakte een aantal reizen door Turkije en het Nabije Oosten en stuurde mij daarvan kleurrijke verslagen. Ik hoopte dat zij ze ooit zou bundelen. In 2013 zouden wij elkaar beslist ontmoeten. Ik had haar graag op Poetry International gezien, maar daar zijn ze nog nooit op enige suggestie van mij ingegaan.

Vrijdagmorgen keek ik op Facebook. Iemand had een link naar de krant To Vima geplaatst. Ik zag een foto van Niki en dacht 'hé, weer een literaire prijs.' Toen viel mijn oog op het Griekse woord voor omgekomen. Mijn hart stond stil. Tijdens een bezoek aan Egypte is zij om het leven gekomen bij een auto-ongeluk in de buurt van Fayoum. Tot nu toe heeft de Egyptische politie geen verklaring gegeven over oorzaak en toedracht. De Cypriotische minister van buitenlandse zaken sprak van een groot verlies voor Cyprus. Niet alleen voor Cyprus, maar voor het hele Griekse taalgebied en voor de Europese literatuur. Naast een veelbekroond en veelzijdig schrijfster was zij ook beeldend kunstenaar en dramaturg. Ik denk aan die paradijselijk tuin in Agios Domitios en aan de verschrikkelijke leegte zie zij achterlaat.

©Kees Klok





vrijdag, februari 08, 2013

Als een narcis


Soms lijd ik aan wat ik maar oudere herenromantiek noem. Dan denk ik tedere gevoelens te koesteren voor een dame. Niet zelden is die dame 'van mijn leeftijd, alleen dertig jaar jonger,' zoals Gerard Reve dat zo treffend wist uit te drukken. Meestal is de dame in kwestie, eigenlijk nog een meisje, zich van niets bewust. Dat is maar goed ook, vooral voor mijn eigenwaarde.

In 1969 ging ik als jong scholier op bezoek bij Kees Buddingh'. Hij was toen eenenvijftig. Ik vond dat heel oud. Zijn vrouw was jonger, zesenveertig schat ik, en eveneens oud in mijn ogen. Onlangs sprak ik een oud-leerlinge van zesenveertig. Ik vond haar jong, sprankelend en aantrekkelijk. 'Van mijn leeftijd, alleen vijftien jaar jonger,' om nogmaals in de geest van Reve te spreken.

Het komt door onze gekluisterdheid aan het lichaam. Aan wat straks wordt aangeduid als het stoffelijk overschot. Dat veroudert, verwelkt als een bloem en sterft uiteindelijk af. Je hoopt dat dat met zo weinig mogelijk pijn en ellende gepaard zal gaan. Ik ben niet bang voor de dood, wel voor het pad erheen. Terwijl je lichaam de weg van alle narcissen gaat, blijft je geest jong. Een verschijnsel dat al vele malen is beschreven en bezongen, dat voor veel leed zorgt en soms voor wat tijdelijk geluk, als twee geesten zo met elkaar overeenkomen dat het physique niet meer telt.

Bijna veertig jaar geleden, ik was drieëntwintig, trouwde ik met een meisje van negentien. Ze was niet alleen erg mooi, maar ook heel begaafd. Ze kon goed zingen, tekenen en schrijven, maar ze had moeite te kiezen, zodat geen van drieën goed uit de verf kwam. Het duurde niet lang of bepaalde karaktertrekken begonnen te botsen. We hadden nog geen enkele levenservaring, konden het huwelijk niet aan en gingen uit elkaar. Onze geesten bleven jong, tot op de dag van vandaag. Nu is zij schrijfster in een stad niet ver van Amsterdam. Een grootmoeder met een bewogen leven achter zich. Ik ben een stoffige weduwnaar in de provincie. Nu en dan zoeken wij elkaar op en dan kan het zijn dat de passie even opflakkert, maar na zo'n nacht laten wij elkaar weer los. De illusies uit het verleden zijn niet te herleven, alleen te dromen. Wij koesteren een tere genegenheid die behoedzaam moet worden bewaard en ook zijn er diepe loyaliteiten aan het verleden.

Tegen de oudere herenromantiek valt weinig te doen, vrees ik. Je wordt er tegen wil en dank door overvallen. Laatst nog. Dan is het oppassen om je niet te gaan gedragen als de schooljongen die je eigenlijk wil zijn. Langs haar huis fietsen in de hoop een glimp van haar op te vangen, stiekeme briefjes sturen, of, meer eigentijds, bedekte toespelingen op Facebook. Het is van een heerlijke, maar tegelijk deprimerende spanning. Je bent geen zeventien jaar meer en onschuldig vrijen is ook allang een wensdroom gebleken.

©Kees Klok

©tekening: Annemarie Peters




zondag, februari 03, 2013

Een boek dat moet


Er waait een snijdende wind als ik de tuin inloop. Voor vanavond wordt regen voorspeld, of natte sneeuw. De winter, nauwelijks een week geleden door de dooi verdreven, lijkt weer terug te komen. Tja, begin februari, dat kun je verwachten. Daarom heb ik alweer de volgende reis naar Griekenland geboekt. Daar kan het in de winter ook koud zijn, maar doorgaans begint de lente er vroeger dan in Nederland. Ik ga snel naar binnen, waar ik het tweede verslag lees in De Volkskrant van Arnon Grunberg zijn kerstbezoek aan Thessaloniki. Op zijn eerste stuk heb ik gereageerd, maar nu wacht ik eerst deel drie af. Hij laat dit keer een Griek aan het woord die beweert dat Thessaloniki geen parken heeft. Grunberg laat dat onweersproken. Vreemd. Juist al het groen maakt Thessaloniki zo aangenaam. Al jaren ga ik er vaak op zondag een ouzaki halen bij Xarchakos in het park van Chanth, schuin tegenover de Witte Toren. Overal kom je plantsoenen tegen en in veel straten, ook in het centrum, groeien bomen. Voor mij zijn het de tegenhangers van al die lelijke nieuwbouw uit de tweede helft van de vorige eeuw.

Ik leg de krant terzijde en lees de laatste bladzijden van 'Een dagboek in de Griekse crisis' van Roos Mavrikou-Zevenhuizen. Ik ben een liefhebber van ego-literatuur. Brieven, memoires en dagboeken kunnen rekenen op mijn warme belangstelling. Soms valt het tegen, zoals de dagboeken van Arnold Bennett, soms is het wonderlijk meeslepend, zoals het Journal Littéraire van Paul Léautaud. Wat mij in het dagboek van Roos, dat ik bijna in één adem heb uitgelezen, treft is de indringende wijze waarop zij je met het dagelijks leven van een doorsnee Grieks gezin in de crisis confronteert. Het leven op een klein, afgelegen eiland als Skyros is niet dat in Athene of Thessaloniki, maar veel van de alledaagse problemen zijn hetzelfde. Almaar dalende inkomens, stijgende rekeningen en de ene onrechtvaardige, nieuwe belasting na de andere. Of de winter te moeten doorkomen zonder geld om het huis voldoende te verwarmen. Roos kijkt verder dan de stranden van Skyros en is uitstekend op de hoogte van wat er in de rest van Griekenland speelt. Dat maakt haar dagboek representatief. Wie werkelijk wil weten en wil meebeleven wat het betekent om in deze tijd met een jong gezin in Griekenland te leven, moet het boek beslist lezen. Het is ook in een prettig leesbare stijl geschreven, een stijl die de lezeressen van het tijdschrift Flair van de columns van Roos zullen kennen.

De crisis loopt als een rode draad door het boek. Die is de aanleiding om het te publiceren, maar Roos heeft ook oog voor andere zaken. Er staan grappige passages in, zoals die over een bejaarde, Griekse toerist die dacht dat hij op Santorini was in plaats van op Skyros. Er staan ontroerende verhalen in, bijvoorbeeld over een stervend zwerfkatje dat op een bitterkoude winteravond kwam aanlopen, of over het extra leed dat het razendsnel begraven van een overledene kan veroorzaken, omdat het soms onmogelijk is het eiland tijdig te bereiken. Ik weet uit eigen ervaring hoe pijnlijk het is om geen afscheid te kunnen nemen van een geliefde dode. De beschrijving van de doop van haar petekind en van haar jongste dochtertje sterkte mij in mijn opvatting dat het Grieks-orthodoxe doopritueel een vorm van kindermishandeling is. Het boek vermeldt niet of de kerk ook iets doet voor de armen op het eiland, die bijvoorbeeld geen geld hebben voor de elektriciteitsrekening, waaraan de charatz is gekoppeld, de nietsontziende extra onroerend-goedbelasting. Ik zal dat bij mijn volgende bezoek aan Skyros eens navragen.

©Kees Klok


Roos Mavrikou-Zevenhuizen – Een dagboek in de Griekse crisis. Te bestellen bij