maandag, september 17, 2012

Oude handen


Een paar dagen geleden, ik zat te schrijven, viel mijn blik op mijn handen. Het zal de lichtval zijn geweest, maar ik schrok van de dikke, donkere, meanderende aderen. Ik zag oude handen. Natuurlijk is het volslagen idioot om op je eenenzestigste te schrikken als je ziet dat je handen lijken op die van een heer op zekere gevorderde leeftijd. Leg eens een jeugdfoto naaste een recente opname van je kop en je ziet twee verschillende figuren. In vind het een wonder dat mensen die je vele jaren niet hebt gezien, je nog herkennen. 'Ha meneer Klok. Ik zat in 1984 bij u in de brugklas. Hoe gaat het met u?' Ik kijk zo'n veertiger dan verbaasd en verrast aan. In negentig procent van de gevallen heb ik geen idee met wie ik sta te praten. Dan vraag ik een naam, altijd wat beschroomd en met een zeker schuldgevoel, waarna ik thuis in mijn oude agenda's op zoek ga naar de cijfers.

Je leeftijd laat zich afmeten aan je handen. Daar is geen facelift voor. Onbarmhartig tonen ze de mate waarin het verval is gevorderd. Ze drukken je op een eeuwig, onoplosbaar probleem. De geest veroudert niet. Die verrijkt zich, als het goed is, wordt in de loop der jaren soms weleens wat wijzer, maar blijft in principe jong. Ik ben geestelijk nog altijd drieëntwintig. Als ik met oud-leerlingen van die leeftijd in de kroeg zit, wat gelukkig nog weleens gebeurt, merk ik wel dat ik meer heb gelezen en over een groter arsenaal aan belevenissen en ervaringen beschik, maar een echt verschil in leeftijd ervaar ik niet. Ik zie het alleen en voel het als er bijvoorbeeld weer een of andere spier dwarsligt. Soms begeer ik stiekem zo'n bloeiende, jonge vrouw, die vermoedelijk denkt van 'Jezus, hij is al net zo belegen als mijn vader.' Als ze er sowieso iets van merkt, want in de omgang met dames ben ik nog steeds even verlegen als in mijn pubertijd en de enkele keer dat dat niet zo is ben ik te dronken om nog enige indruk te kunnen maken.

Ik schrijf dit in poffertjessalon Visser, waar vanwege het regenachtige, donkere weer alle verlichting reeds brandt. Ik kijk naar mijn handen, die onder de lampenkapjes nog eens extra oud lijken. Zo'n veertig jaar geleden al zat ik hier strak in het vel, stikverlegen, naar de meisjes te kijken. Ik meen dat A.L. Snijders ergens schrijft dat er in wezen nooit iets verandert. Ik ben als drieëntwintigjarige geneigd het met hem eens te zijn. Ik kijk nog maar eens naar mijn handen.

©Kees Klok


zaterdag, september 15, 2012

Nader tot U


Als ik op reis ga, gaat er altijd een boek van Gerard Reve mee. 'Zonder Reve geen leve,' zeg ik altijd maar. Misschien wel de geniaalste schrijver van het naoorlogse Nederland, maar zoals vaker het geval is, grenst bij Reve genialiteit aan krankzinnigheid. Dat lees je in het boek Ons leven met Reve van Teigetje en Woelrat. Teder, eerlijk, ontroerend en ontluisterend. Veel van wat al bekend was over het leven van de man die ik weleens schertsend 'oom Reve' noem, wordt vanuit een ander gezichtspunt beschreven dan we gewend zijn en nu en dan voegen zij nog onbekende feiten toe. Reve komt uit het boek tevoorschijn als een oom die je liever niet op je familiefeestje vraagt, waar je toch geweldig tegenop ziet en die je ondanks zijn grillige gedrag lief hebt. Als je het einde van het boek leest, begrijp je waarom Joop Schafthuizen, alias Matroos Vosch, 'een ongeletterde jongen,' aldus Reve, alles in het werk stelt om publicatie van deel drie van de Reve-biografie van Nop Maas te voorkomen. Een streven waarin hij tot mijn onuitsprekelijk genoegen door de rechtbank werd gedwarsboomd.

Het leven van een schrijver is soms even fascinerend als zijn of haar boeken. Bij Dickens is dat het geval, bij Léautaud (al valt dat leven heel erg samen met zijn boeken) en beslist ook bij Reve. We mogen daarom dankbaar zijn voor al die prachtige brievenboeken, maar Reve schrijft ook in zijn brieven fictie (autobiografische fictie noemt L.H. Wiener dat, als ik mij niet vergis) en in 'autobiografische fictie' is de waarheid – terecht – van ondergeschikt belang. In hoeverre Teigetje en Woelrat 'autobiografische fictie' schrijven, zal blijken als deel drie van de Revebiografie van Nop Maas eerstdaags verschijnt. Het boek zou al lang zijn gepubliceerd als Joop Schafthuizen er niet was geweest. Vroeger was het in India de gewoonte dat bij de crematie van een overledene zijn weduwe ook in het vuur werd geworpen. Sommige schrijversbiografen zouden graag zien dat zoiets gebeurde met de weduwen van Nederlandse auteurs, zoals Mieke Vestdijk en Joop Schafthuizen, om maar twee notoire lastpakken te noemen. Ik ken ook schrijversweduwen van geheel andere snit en ik vind de Indiase oplossing net iets te ver gaan, maar ik kan mijn goede vriend T., een zeer geletterde jongen, in tegenstelling tot Matroos Vosch, wel begrijpen. Ooit schreef Reve een brief aan de koninklijke luchtmacht met de vraag of deze zo goed wilde zijn om het huis van de schrijver Theun de Vries voor hem te bombarderen. T. zag graag de woning van Matroos Vosch in Machelen gebombardeerd, maar waar kon je het adres van de Belgische luchtmacht vinden?

In april 2007 stond ik met Stella voor Huize Het Gras in Greonterp. We waren op Reve-bedevaart. Een vriendelijke Fries, van wie wij maar al te graag aannamen dat hij ooit buurman was van Reve, nam een foto van ons voor het kapelletje waarbij Reve ooit begraven wilde worden. Een wens die niet is gehonoreerd. Teigetje en Woelrat merken dat op aan het begin van hun boek, als ze aan de groeve van Reve staan, na de teraardebestelling in Machelen, waarvoor ze niet eens door Schafthuizen waren uitgenodigd. Toen Stella en ik daar in het stille, vredige Greonterp stonden, op die prachtige voorjaarsmiddag, moesten we denken aan het einde van een VPRO-documentaire over Reve, waarin een fanfare op diezelfde plaats het lied Nader tot U speelde. Niets wees erop dat Stella acht maanden later aan maagkanker zou overlijden. Nader tot u gaat mee op de volgende reis.

©Kees Klok


donderdag, september 13, 2012

Regen of drup


Zeven uur. Ik zit in het Stadscafé, want mijn stamkroeg, Visser, sluit op woensdag om zes uur. Een onmogelijke tijd voor een café, vind ik, maar als je ergens al meer dan veertig jaar komt, houd je op een gegeven ogenblik op met zeuren. Soms weten we als stamgasten de sluitingstijd wat op te rekken. Ik heb een afspraak met een oud-leerlinge. Ze heeft net haar hbo-diploma gehaald en dat gaan we vieren. Ik herinner mij het café nog als de mooiste, eind negentiende eeuws ingerichte, tabakswinkel van Dordrecht. Te vergelijken met de eveneens ter ziele gegane zaak van Van der Pigge in Haarlem. Als ik een blik naar buiten werp, kijkt Arie Scheffer vanaf zijn sokkel in mijn richting. Zit ik bij Visser op het terras, dan kijkt hij de andere kant uit. Arie Scheffer, Jacques Perk.... beiden beroemd geworden nadat ze Dordrecht als klein kind al hadden verlaten, maar wat zijn we trots op op onze mannen. Op Scheffer iets trotser dan op Perk, want Arie heeft een heel plein met standbeeld gekregen, terwijl Jacques het moet doen met een gedenksteen in de Lange Breestraat. Dat is typerend voor Dordrecht: voor zover er geld en belangstelling is voor cultuur, gaat dat vooral naar de beeldende kunst. De letteren komen er altijd bekaaid vanaf. De door wijlen Joop van Halen, bezieler van de stichting Perspektief (onlangs opgegaan in Dordt Literair), in het leven geroepen Debutantenprijs, nu de Academica Debutantenprijs, voor proza, wordt dit jaar al voor de tweede keer in Den Haag uitgereikt. Dat zegt veel.

Mijn oud-leerlinge is nog niet gearriveerd. Het is inmiddels gaan regenen. Uit de afhaal-wok naast café De Beurs, komen af en toe eenzame mannen met witte, plastic tassen. Langzaam valt de schemering. Het is volgens de media een spannende avond. Over anderhalf uur wordt de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen verwacht. Wekenlang hebben we op radio en televisie over weinig anders gehoord. Debat op debat, tot vervelends toe. Europa, de zorg, de zorg, Europa, Europa, de zorg en soms nog een enkel ander heikel punt. Ik heb een paar keer geprobeerd te kijken, maar viel steeds na korte tijd in slaap. Ik heb braaf mijn stem uitgebracht, vanmorgen al, om kwart voor acht, en ik heb zelfs een affiche op het raam gehangen van de partij waarop ik heb gestemd. Met alle bedenkingen van dien, want als ik naar het verleden van die partij kijk, zie ik de rampen die zich tijdens mijn zesendertig jaar als leraar in het onderwijs hebben voltrokken en die voor een flink deel op haar conto moeten worden geschreven. Van Kemenade, Ritsen..., ik krijg nog nachtmerries van die namen. Wat mij betreft komt er geen plein met standbeeld voor Jos, noch een gevelsteen, ergens in een smalle zijstraat voor Jo. Ik heb mij gehouden aan mijn voornemen om te stemmen op een vrouw.

Mijn oud-leerlinge komt binnen. Een stralende jongedame. Als ik haar een paar flinke zoenen geef als beloning voor het afstuderen, bedenk ik dat haar cadeau, ik geef altijd een boek, nog thuis ligt. We drinken wat. Ik wil haar mee uit eten nemen, maar ze blijkt al te hebben gegeten. Een bevriend stel komt binnen en schuift aan. We bestellen nog een rondje en nog een en daarna een volgende. We hebben het over Europa en over de zorg, halen oude herinneringen op en nemen er nog maar een. Toch maken we het niet laat. Behalve ik moet het gezelschap morgen weer tijdig aan de slag. Ik wandel in de regen door het uitgestorven stadscentrum naar huis. Op tafel ligt het vergeten cadeau, een reden om weer snel af te spreken. Ik zet het nieuws op. De partij waarop ik heb gestemd is niet de grootste geworden. Mark Rutte, geen familie van het jenevermerk en van aanzienlijk mindere kwaliteit, heeft als eerste de eindstreep gehaald. Ik haal de verkiezingsaffiche van het raam en zie dat het niet meer regent, maar ik geloof dat het nog wel wat drupt. 

©Kees Klok

woensdag, september 12, 2012

Vijftig seconden voor twaalf


Het Algemeen Dagblad meldt dat Chrissi Afghi, de Griekse nazi-partij, die tot mijn verbazing nog steeds niet is verboden, de derde van het land zou worden, als er nu verkiezingen zouden zijn. Ik heb geen idee uit welke bron die informatie komt en ik weet uit ruime ervaring dat kranten soms maar wat schrijven, maar gerust ben ik er niet op. Ik laat het stuk op mij inwerken, ongeveer zoals ik kijk naar een vochtplek op het plafond. Ik wil nog even niet geloven aan lekkage, met alle ellende van dien. Het Griekse volk, dat vanaf midden jaren '90 tot 2009 een periode van stijgende welvaart doormaakte, beleeft nu een ongekende economische ineenstorting, die een sociale aardbeving veroorzaakt, waardoor de hele samenleving in een chaos dreigt te veranderen. Dat kan onvoorstelbare consequenties hebben. Van 1946 tot 1949 beleefde Griekenland een gruwelijke burgeroorlog, die nog steeds niet helemaal is verwerkt, mede doordat oude wonden weer werden opengereten tijdens het kolonelsregiem van 1967 tot 1974. Het uiteenvallen van Joegoslavië leert ons dat oud zeer, historische ressentimenten die als een veenbrand smeulen, ineens kunnen opflakkeren tot een uitslaande brand die de samenleving kan verwoesten. De economische toestand in het Joegoslavië van voor het uiteenvallen was rooskleuriger dan die in het Griekenland van nu.

Waar gevoelens de boventoon voeren in plaats van het verstand, gevoelens van wanhoop, radeloosheid en boosheid, is een radicalisering welhaast onvermijdelijk. In Griekenland dreigt het gevaar dat de oude, diepe tegenstelling tussen links en rechts, die teruggaat op politieke ontwikkelingen tijdens en net na de Eerste Wereldoorlog, zich verscherpt tot die tussen nazi's en fanatiek links. In de opkomst van de nazi's en in het blinde verzet van de linkse vakbonden tegen iedere vorm van economische hervorming, klinken echo's uit de burgeroorlog door. Als dat zich doorzet is het wachten op een nieuw begin van de politieke moorden waarvan de moderne Griekse geschiedenis doortrokken is. Gaan we het beleven dat de Lambrakisstraat*, om de hoek bij mij in Thessaloniki, omgedoopt wordt in de Pattakosstraat, naar een van de leiders van het kolonelsbewind, of in de Zachariadisstraat, naar de leider van de communisten in de burgeroorlog? Het klinkt onwaarschijnlijk, maar minder onwaarschijnlijk dan drie jaar geleden.

De democratie zoals wij die voorstaan, heeft in Griekenland in feite pas een kans gekregen na de val van het kolonelsbewind. Om deze prille democratische ontwikkeling een kans te geven, werd Athene in 1981 toegelaten tot de EG (wat nu de EU is). Door zijn afwijkende culturele en politieke geschiedenis, is Griekenland in de Europese familie altijd een buitenbeentje gebleven. Vaak een dwarsliggend buitenbeentje, maar evenzeer een waardevol lid, dat Europa, misschien iets minder in moderne tijden, maar zeker in vroegere fasen van de geschiedenis, veel geestelijke en culturele rijkdom heeft geschonken. Toch twee Nobelprijswinnaars voor literatuur in de 20e eeuw. Daar kunnen we in Nederland een voorbeeld aan nemen. De Griekse plagerij van 'toen wij al marmeren beelden en paleizen maakten, zaten jullie nog in de bomen noten te eten,' mag dan sterk overtrokken zijn, feit is dat de Europese beschaving veel aan de Grieken te danken heeft.

Om Griekenland te begrijpen moet je kennis hebben van en inzicht in de moderne geschiedenis van het land, vanaf de onafhankelijkheidsstrijd, begin 19e eeuw. Steeds weer blijkt dat het de Europese politici daar aan ontbreekt. Ze behandelen Griekenland als het achterlijke broertje, dat ook nog eens ADHD heeft, en met de bullepees in het gareel moet worden gedreven. Zo'n behandeling krenkt ieder volk tot op het bot. Vrijwel geen enkele Europese politicus beseft, of wil beseffen, dat de Grieken vanaf het allereerste begin van de noodhulp nooit aan de onmogelijke eisen van EU en IMF hebben kunnen voldoen. Eisen die, door velen voorspeld en uitgekomen, de ineenstorting van de economie en daaruit volgende maatschappelijke implosie, evident zouden versnellen. Economen zijn het zelden met elkaar eens, maar het merendeel hierover wel. In deze context is het immoreel de Grieken er van te beschuldigen dat zij 'onvoldoende hun best doen,' en 'niet leveren,' om over de talloze beledigende, valse en onjuiste stereotypen, die veel Europese media gretig verspreiden, niet te spreken.

Nog steeds is Griekenland een paradijselijk oord om te bezoeken, als je de 'no-go areas' in Athene maar mijdt. Dat kan echter in een ommezien veranderen als EU en IMF vasthouden aan hun verwoestende en contraproductieve eisen. Niemand kan de toekomst voorspellen en wie weet geven de Grieken blijk van een onmenselijke zelfbeheersing, maar er kan evengoed een tweede Syrië ontstaan, nu op de Balkan, binnen de EU en dan gaat het veel meer dan geld kosten. Ik huiver bij de wetenschap dat het bijna te laat is, tenzij de Europese familie een werkelijke helpende hand biedt, waaruit eindelijk iets van solidariteit blijkt met het lijden van de miljoenen gewone Grieken die evenmin schuld aan de crisis hebben als onze man of vrouw uit de straat. Geloof me, het is vijftig seconden voor twaalf.

©Kees Klok

*Een links politicus, in 1963 door een aanhanger van ultra-rechts in Thessaloniki vermoord.


maandag, september 10, 2012

Vijfentwintig jaar geleden


Het is mooi weer. Zeker voor de tijd van het jaar. Hier en daar begint al een boom of struik iets te verkleuren en in de tuin ligt al wat bladafval. Toch staat er nog van alles te bloeien. Het is zo warm dat ik in de woonkamer ben gaan zitten. Daar is het met drieëntwintig graden naar verhouding koel. Een buurkind is gevallen en heeft het van schrik op een huilen gezet. Een kraai krast er verontwaardigd tegenin. Als dit het flatgebouw in Griekenland was geweest, zou de moeder in een heftig geschreeuw zijn uitgebarsten, in plaats van het meisje met zachte woorden te troosten. De moeders in onze Griekse flat krijsen harder dan hun kinderen en bij de minste of geringste aanleiding. Vooral de vrouw van D. Zij gaat zelden anders dan hysterisch te keer. In het voorvaderlijke dorp van Stella is het de vrouw van F. die op gezette tijden haar kroost beschreeuwt op een manier die doet vrezen dat de kippen van de leg gaan.

Griekse ouders hebben in het algemeen erg veel over voor hun kinderen, het krijsen van de moeders ten spijt. Zij ontzeggen zich van alles om een huis voor hun kinderen te kunnen kopen, of te laten bouwen. Ik kan zo een reeks kinderen van vrienden noemen die wonen in een huis dat ze van pa en ma cadeau hebben gekregen. Ouders liggen krom om de bijlessen van hun kinderen te betalen. Volgen ze die niet en hebben ze niet het geluk op een peperdure buitenlandse school of op een van de weinige 'experimentele scholen' te zitten, dan halen ze hun universitaire toelatingsexamen niet. Iedere ouder wil zijn kind op de universiteit en de concurrentie is groot. Ik ken een architecte, weduwe, die haar beide zonen ook nog een auto gaf, toen ze slaagden voor hun rijbewijs. Kostgeld vragen aan thuiswonende kinderen wordt als een schande gezien.

Het is zonneklaar dat de financiële en sociale ineenstorting van Griekenland zijn weerslag zal hebben op de in Nederlandse ogen sterk overdreven verwennerij van kinderen. Hoe dat gaat uitpakken, weet ik niet. De weduwe zit nu zonder geld. Haar pensioen is al maanden niet uitbetaald. De zoons en schoondochters zijn werkloos geworden en alle vier bij ma ingetrokken. De nummerborden van de drie auto's van de familie zijn ingeleverd. De wegenbelasting kon niet meer worden betaald. De leeggekomen woningen en het zomerverblijf staan te huur of te koop, maar er zijn geen huurders of kopers. Ondertussen komt de ene na de andere belastingaanslag binnen. Niet over het echte inkomen van nul euro, maar over een fictief inkomen van dertigduizend euro. Zomaar, met de duim, door de fiscus bedacht. Nu wordt er nog geld geleend van familieleden die iets minder klem zitten, maar binnenkort?

De troostende woorden van de buurvrouw hebben geholpen. Het kind is weer onbezorgd aan het spelen. Even onbezorgd als de zonen van de Griekse weduwe, een jaar of vijfentwintig geleden.

©Kees Klok



zaterdag, september 08, 2012

Suriname en ik


Ik lees het boek Suriname en ik, een verzameling persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland, onder redactie van John Leerdam en Noraly Beyer. Het voert mij terug naar de zomer van 1982, toen ik het land bereisde van Albina tot Nieuw-Nickerie en van Paramaribo tot Stoelmanseiland en tot Asidonhopo, de residentie van de granman van de Saramaccaners aan de Boven-Suriname. De zomer van 1982. Dat was voor de decembermoorden, maar na de mislukte coup van de militair Rambocus. Paramaribo was nog net even 'de vrolijkste stad in de jungle,' zoals Anil Ramdas schreef, maar tegen middernacht werden er barricades opgeworpen rond het kampement, zoals iedereen de Memre Boekoekazerne noemde. Een teken dat er iets broeide in het Paramaribo van de feesten op de universiteit, met Cubaanse bands die als blijk van solidariteit werden gestuurd door oom Fidel. Het bewind van bevelhebber Bouterse had nog een hoog operettegehalte, maar uit de uzi's kwamen wel echte kogels. Oom Fidel, die besmuikt werd gezien als lichtend voorbeeld, hield dissidente dichters gevangen en zijn muzikanten bliezen nogal eens een valse noot. Ronnie Brunswijk was nog een fenomeen in de toekomst en hoewel er gebrek was aan het een en ander, de bakolie op de bon, bijvoorbeeld, leek zorgeloosheid alom nog in ruime mate aanwezig. Bouta en zijn rechterhand Roy Horb hadden nog het voordeel van de Haagse twijfel.

Een Nederlands fregat en een handvol mariniers hadden de democratie in een oogwenk kunnen herstellen, maar dat voordeel van de twijfel kwam Nederland wel uit. Anders kreeg je weer internationaal getetter over imperialistisch optreden en neo-kolonialisme, zoals bij de rellen op Curaçao in 1969, en was Suriname daar niet te onbelangrijk voor? Toen de bom barstte, op 8 december, liet Nederland het enige na wat het had moeten doen. In plaats daarvan kondigde het sancties af die vooral de arme Surinamers troffen. Zoals de kortzichtige bezuinigingsreflex van nu vooral de arme Europeanen treft, terwijl de vermogenden fluitend verder speculeren. Nu en dan stuurde ik met Surinaamse vrienden een pakket met allerlei zaken waaraan gebrek was naar tropisch Nederland. Zoals we dat eerstdaags ook naar Griekenland moeten gaan doen, vrees ik.

Er moeten al veel onderhuidse spanningen zijn geweest in die dagen dat ik in Botopassie dromerig keek naar de blote borsten van de marronmeisjes. Daar kon je beter van afblijven, maar in de stad was het een prettig Sodom en Gomorra in de vele bars gevuld met straatarme, maar beeldschone gelukzoeksters uit de Dominicaanse Republiek. In een waas van whisky, de Surinaamse nationale drank, genoot ik met volle teugen van alles wat God verboden had. Aids was nog maar een vaag gerucht. Iets met homo's. Eerst borrelen in hotel De Ark en daarna naar de Maagdenstraat, waar iedere gedachte aan revolutie, tegencoup, oom Fidel en de stuntelige macho's van de volksmilitie, werd gesmoord in de armen van Felicita.

Geen wonder dat 8 december voor mij volkomen onverwacht kwam. Opeens was Suriname, het land waarop ik bij de eerste kennismaking volstrekt verliefd werd, weer een ver land, waar je voor je fatsoen niet naartoe kon. Ook na het herstel van de democratie ben ik er niet meer geweest. Ondanks aandringen van vrienden die waren achtergebleven of er inmiddels weer zijn teruggekeerd. Of ik er ooit nog eens heenga? Wie weet, maar ik vraag mij af wat voor Suriname ik dan tref en hoeveel vrolijkheid die stad in de jungle nog kent. Misschien vind ik het antwoord in het boek van Leerdam en Beyer.

©Kees Klok



John Leerdam & Noraly Beyer (red.) - Suriname en ik. Persoonlijk verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland. Amsterdam 2012. ISBN 978 90 29087 193.


woensdag, september 05, 2012

Aan het eind van Nederland


Ik zit in het gastenverblijf van het landgoed van vrienden in Drenthe. Voor mij manshoge hagen, overal bloemen en geen mens in beeld. Je zou er zo als Adam en Eva willen rondlopen, maar het is vijftien graden en voorlopig zit ik in een trui. Een vliegtuig trekt een condensstreep aan de hemel. Het komt uit Duitsland, hier vlakbij. Aan de andere kant van het veen dat de Hondsrug scheidt van de grens. Het veen. Een troosteloze, bijna boomloze vlakte, waar zonderlingen lustmoorden plegen op eenzaam fietsende meisjes, zoals een paar jaar geleden in Tweede Exloërmond.

Ik probeer Radio-1 te vinden op het toestel dat bij het verblijf is bijgeleverd, maar het enige station dat ik ontvang is een onbekende, commerciële zender met nieuws op Telegraafniveau. De toon van de presentatoren, die zichzelf graag horen, maar bitter weinig te melden hebben, is die van de borreltafel tegen sluitingstijd. De muziek is niet om aan te horen. Wie daar wil adverteren moet zich laten behandelen. Ik zet het ding al snel weer af en hoop op een spoedig herstel van de zendmast in Hogersmilde. Er schiet een veldmuis over het terras. Dapper met al die roofvogels in de buurt.

Ik ben hier gisteravond aangekomen. Per trein naar Emmen, waar ik ondanks alle bouwputten (Rotterdam, Utrecht, Zwolle) stipt op tijd arriveerde. Emmen ligt aan het einde van de spoorlijn. Bijna aan het eind van Nederland. Twee keer per uur vertrekt er een trein uit Zwolle. Een boemeltrein en een 'sneltrein' die twee molshopen overslaat. Geen wonder dat het Noorder Dierenpark wegkwijnt met zo'n puike verbinding. Er wordt gereden met verwaarloosd materiaal dat kraakt, rammelt en er haveloos uitziet, van buiten en van binnen. Ook in de eerste klas heb je het idee ergens diep in de Derde Wereld te reizen. Ieder ogenblik kan er een onverstaanbare inboorling instappen met een geit, of met een bundel spartelende kippen. De conducteur is voorkomend en beleefd. Ik versta hem. Bij het station wachtten mijn vrienden om mij naar het landgoed te rijden. Dat is niet per openbaar vervoer te bereiken. Alleen te voet of per landauer. De landauer heet tegenwoordig peugeot.

Op het landgoed drinken wij die avond zelfgeproduceerde cider. Op een ruim terras, omzoomd met kruiden. Het is er vooral stil. Er lopen schapen. Levende grasmaaiers, gehuurd van een bevriende boer. Ik verneem dat het dorscafé failliet is, dat die en die zich onder invloed hebben doodgereden en dat mijn vrienden zich hebben gestort in de lokale politiek. Een pyromaan houdt al enige tijd de gemoederen bezig. Terwijl de avond valt worden toebereidselen gemaakt voor het diner. In de verte zie ik een meisje fietsen. Ik hoop dat ze niet op weg is naar Tweede Exloërmond.

©Kees Klok



dinsdag, september 04, 2012

Navelstaren


In de tijd dat ik nog geschiedenisles gaf, begonnen wij in de brugklas met de prehistorie. De oermens ging er altijd gretig in. Van de missing link tot de homo sapiens. In feite weten we bar weinig van de oermens, simpelweg omdat er geen schrift was waarin zijn gedachten voor het nageslacht waren vastgelegd. We weten dat hij niet al te dom was en zowel het wiel als het maken en gebruiken van vuur heeft ontdekt, al heeft dat wel allemachtig lang geduurd. Sommige aftakkingen van de homo sapiens zijn trouwens nooit aan de uitvinding van het wiel toegekomen. Dat bleek bij de ontdekking van Amerika in 1492.

De oermens begon als jager en verzamelaar, leren alle geschiedenisboekjes, die in het onderwijs merkwaardigerwijs methoden worden genoemd. Methode wijst op de vorm waarin het onderricht wordt gegoten, niet op de inhoud. Geschiedenis is een vak dat het best onderricht kan worden door het vertellen van spannende verhalen. Ik ben mijn hele loopbaan lang als leraar belaagd door mensen die zich onderwijsvernieuwers noemden en die mij kostte wat het kost van mijn verhalende methode wilden afbrengen. Termen als groepswerk, ontdekkend leren, zelfwerkzaamheid, bleven almaar rondzingen. Jarenlang hamerden de schoolleiding, de daltoncommissie en horden buitenschoolse tetteraars op het belang van vaardigheden. Dan kwam de kennis van het vak vanzelf wel, dachten ze. Ik geef toe dat je niet ver komt als je niet kunt schrijven en niet goed kunt lezen, terwijl het ook handig is om dingen als feiten en meningen van elkaar te kunnen onderscheiden. Dat dient de basisschool je te leren en later de docent Nederlands en, vooruit, die van dat uurtje studieles in de brugklas. Waarom leerlingen tegen heug en meug als kleine historici in spé allerlei gegoochel met bronnen moeten uithalen, bronnen die ze menigmaal niet in de context kunnen plaatsen of eenvoudigweg niet snappen, begrijpt deze echte historicus nog steeds niet. De middelbare school als kloon van de universiteit, daar hebben we uiteindelijk die fantastische lerarenopleidingen aan overgehouden, waar kennis van de geschiedenis van gering belang wordt geacht, maar waar 'reflecteren op jezelf' en het aanleggen van dikke dossiers met vage lulpraat het hoogste goed zijn.

De oermens werd van jager en verzamelaar, en dus nomade, uiteindelijk boer met een vaste woon- of verblijfplaats. Er ontstonden verschillende beroepen en er werden tal van nuttige uitvindingen gedaan, die werden aangewend om rijkdom te vergaren of elkaar de hersens in te slaan. Het schrift ontstond. We kunnen daardoor proberen na te gaan wat de mens vroeger voelde en dacht. De historie werd geboren. Over heel dat proces dat zich vanaf een paar duizend jaar geleden tot nu voltrok, vallen de spannendste, grappigste en treurigste verhalen te vertellen. Dat heb ik gedaan. Al die jaren dat ik leraar was, terwijl ik de vernieuwers in het bos liet huilen. Historie, van het Griekse ιστορία, betekent oorspronkelijk het vertellen van verhalen. Een historicus is allereerst een verteller van verhalen. Geen beklagenswaardige zonderling die 'op zichzelf reflecteert,' die, in andere woorden, naar zijn navel zit te staren.

©Kees Klok


vrijdag, augustus 31, 2012

Maarten


In de Maarten lees ik dat Maarten van Rossem een hekel heeft aan kale, glimmende koppen. Mannen die hun hoofd kaal scheren, vindt hij maar niks. Ik was geneigd het met hem eens te zijn. In mijn literaire dagboeken fulmineer ik regelmatig tegen mannen met 'opgeschoren concentratiekampkoppen.' Toch heb ik zelf ook een kale, glimmende kop.

Ooit begon ik mijn loopbaan in het onderwijs met het langste haar van de school. De meisjes maakten er soms vlechten in met kleurrijke strikken. Dan liep de meester voor gek en hadden we grote lol. Het was echter peenhaar van een inferieure kwaliteit en geheel in lijn met de andere mannen in de familie van moeders kant, begon ik al jong in snel tempo kaal te worden. Ik heb dat nooit een probleem gevonden, want al vanaf de eerste haaruitval bleek er geen enkele negatieve invloed van uit te gaan op mijn betrekkingen met vrouwen. In tegendeel, soms dacht ik zelfs hoe kaler hoe beter, want wij Nederlanders hebben een neiging tot doorslaan.

Toen ik op school achter mijn rug een leerling hoorde zeggen: 'Daar gaat die Beatle met dat open dak' (een vondst waarom ik in de lerarenkamer hartelijk heb gelachen), besloot ik dat het tijd was om naar de kapper te gaan. Geheel kaal scheren zat er nog niet in. Het was een tijd waarin skinheads nog zonder uitzondering achterlijke neo-nazi's en dus tuig van de richel waren. Tegenwoordig ligt dat veel genuanceerder. Ik ken een aantal buitengewoon aardige en fatsoenlijke heren die zich om wat voor reden ook van hun hoofdhaar hebben ontdaan, maar niet omdat het neo-nazi's zijn.

Bij mij kwam het omslagmoment eigenlijk toen mijn vader, dichter behaard dan ik, bij de kapper bejaardenkorting kreeg, terwijl ik voor mijn uitgedunde heggetje het volle pond moest betalen. Ik heb nog wel een tijd lopen twijfelen, maar op een mooie voorjaarsmorgen tenslotte scheerkwast en krabber gepakt. Gewoon glimmend kaal. Ik ben er zeer tevreden mee, al mag het niet van Maarten van Rossem. Meestal ben ik het roerend eens met mijn oude leermeester, maar er zijn momenten waarop ik mij, om het in zijn eigen woorden te zeggen, evident geen reet van hem aantrek.

©Kees Klok


woensdag, augustus 29, 2012

iPad


Soms schreef ik weleens iets direct op de schrijfmachine, later op de tekstverwerker en weer later op de computer. Dat doe ik nauwelijks meer, op routinebriefjes en e-mails na. Gedichten, verhalen, artikelen en cursieven schrijf ik alweer een tijdlang eerst met de hand. Daarna gaat het resultaat de computer in. Een oerversie met de hand heeft het voordeel dat ik al werkende mijn gedachten rustig kan ordenen en ze kan opschrijven in een kalm tempo. Haast en schrijven gaan bij mij niet samen. Een ander voordeel is dat ik niet in de verleiding kom om om de haverklap naar facebook over te schakelen, of naar de een of andere nieuwspagina.

De computer spaart tijd. Tweede, derde, vierde versies zijn zo gecorrigeerd, maar die tijdwinst gaat steeds weer teniet als ik mij te veel door alles wat het internet te bieden heeft laat afleiden. Internet, die mysterieuze informatiewolk die om de aarde hangt. Een omgeving waarin je de paus kunt tegenkomen, de school van je dochter, miskende dichters, de sport, fundamentalistische bedreigers, de porno-industrie... De ontroerendste liefdespoëzie naast films van de voluptueuze pornoster die opereert onder de naam Bella Rossi en die zich graag laat vastbinden en afranselen. De prachtigste reisreportages naast de gruwelijkste beelden van moord en doodslag. De hemel en de hel bijeen in een magnetisch veld waarmee het zo afgelopen kan zijn door een fatale zonnestorm, of een of ander door de mens veroorzaakt onheil. Dan ben je met een vulpen en een schrijfblok nog niet zo slecht af. Later kun je de boel trouwens altijd nog door iemand als Joop Schafthuizen naar een veiling laten brengen. Tenminste, als je boeken een beetje worden gelezen.

Ik was op een conferentie in Engeland. Ik logeerde in een studentenkamer zonder televisie en radio. Mijn laptop had ik thuisgelaten. Wel had ik twee vulpennen, een potje inkt, een vulpotlood, een moleskin notitieboekje en een schrijfblok bij me. Het programma van de conferentie was wat overladen en tussendoor moest ik naar de pub. De gelegenheid om in een Engelse local een pint of bitter te drinken, laat ik mij niet gauw ontgaan. Toch heb ik er vruchtbaar geschreven, in dat stille hok, ergens achterin dat labyrintische gebouw in Portsmouth, met als achtergrondmuziek het melancholieke geklaag van de meeuwen. Even niet met de computer op stap kan een zegen zijn. Ik overweeg de aanschaf van een iPad, maar ik weet niet of ik dat mezelf wel moet aandoen.

©Kees Klok


zondag, augustus 26, 2012

Tunnelvisie


Achtendertig jaar geleden, toen ik begon in het onderwijs, had ik het idee dat er nog weleens naar leraren werd geluisterd als het om beleid ging. Althans op plaatselijk niveau. Ik was snel van dat idee genezen, toen de gemeente Dordrecht mijn school, mavo-Krispijn, opofferde in een fusie die bedoeld was om het noodlijdende lbo (nu vmbo) te redden. Dat dreigde ten onder te gaan aan een gebrek aan leerlingen en te hoge kosten. Er kwam een scholengemeenschap voor mavo-lbo, waarvan de wethouder voorspelde dat hij binnen drie jaar zou uitgroeien van ongeveer zeshonderd naar een kleine duizend leerlingen. Niemand van de leraren, de 'werkvloer,' geloofde er een woord van, maar de wethouder en de in die jaren vergaand incompetente gemeenteraad, waren in de ban van enkele overambitieuze ambtenaren van de afdeling onderwijs. Beter wetende heren behept met wat je nu een tunnelvisie zou noemen. Drie jaar later was het aantal leerlingen gedaald tot onder de driehonderd en dreigde de ondergang. Al snel volgde een nieuwe, door de gemeente afgedwongen, fusie, die ook geen succes werd wat de redding van het lbo betreft, zodat er nog een paar keer werd gefuseerd, met even weinig resultaat. Die fusies hebben veel docenten en andere personeelsleden hun baan gekost of voor veel spanningen en persoonlijk leed gezorgd.

Het voorlopig eind van het liedje is het Stedelijk Dalton Lyceum (SDL), nog de enige openbare middelbare school in Dordrecht. De gemeente moest ondertussen een stapje terug doen, zodat de school nu wordt bestuurd door een stichting. Men kan op het stadskantoor de handen in onschuld wassen, als de boel onverhoopt failliet gaat. Het SDL is een school waaraan goed en degelijk les wordt gegeven en waar aandacht is voor andere zaken die voor de opgroeiende jeugd van belang zijn, zoals cultuur en sport. In de jaren dat ik er werkte, heb ik met veel plezier voor de klas gestaan. Toen Stella ziek werd en overleed, heb ik buitengewoon veel steun gehad van leerlingen, collega's en de locatie-directie van de Overkampweg. De school was ook ruimhartig met het verlof dat ik kreeg om Stella's dood te verwerken. Ik ben daar nog steeds dankbaar voor en ik draag het SDL een warm hart toe, maar of de organisatie ook goed wordt bestuurd, is de vraag.

Ondanks het succes van de vwo- en havo-afdelingen, waaraan ook tweetalig onderwijs wordt gegeven, verkeert het SDL in financiële problemen. Door de molensteen van het vmbo. In de eerste plaats omdat het vmbo (met name de praktische leerwegen) nog altijd niet populair is bij ouders en leerlingen. Dat is een betreurenswaardige zaak, want de maatschappij zal altijd behoefte hebben aan goede vaklieden en daarvoor legt deze vorm van onderwijs een degelijk fundament. In de tweede plaats omdat er een prachtig, maar duur schoolgebouw is neergezet op het Leerpark. Dat het lbo/vmbo al decennia impopulair is, valt het bestuur niet aan te rekenen. Dat daar nog steeds de tunnelvisie uit de jaren '80 heerst wel, evenals dat kostbare gebouw. In 1983 adviseerde de 'werkvloer' een samengaan van het lbo met het mbo. Zo zou een logische leerlijn ontstaan en de kosten konden worden gedrukt door een gezamenlijk gebruik van vaak dure faciliteiten. Die weg lijkt in 2012 nog steeds de meest logische: een scheiding tussen vmbo-t (het vroegere mavo), dat bij het SDL blijft, zodat het financieel kan overleven, en de rest van het vmbo laten samengaan het mbo. Zal het er van komen voordat het schip de wal keert?

©Kees Klok


vrijdag, augustus 24, 2012

Stoer


Bij het woord stoer dacht ik vroeger vooral aan jongens met grote bekken en dom machogedrag. Tegenwoordig hoort stoer ook bij meisjes. Ik hoorde een meisje op een terras tegen een ander meisje zeggen: 'Zo, dat is stoer.' Het andere meisje had zich laten tatoeëren. Tatoeages heb ik lang gezien als het toppunt van ordinair, zeker bij vrouwen. Behalve als je zeeman was, dan hoorde het erbij, of Maori. Mijn grootvader, de zeeman, had een anker op zijn hand. 'Nooit doen,' zei hij altijd, 'je krijgt het kreng er niet meer af.' Als kind wilde ik ook zeeman worden. Dat vond mijn grootvader niets. 'Ga jij maar doorleren.' Voor ik die raad opvolgde, heb ik een klein jaar op een scheepvaartkantoor gewerkt. Dan kwam ik weleens op een schip, samen met de waterklerk, en dronken wij jenever.

Ik ken een meisje dat een grote bloem op haar rug heeft laten tatoeëren. Daarvan heeft ze een foto op facebook gezet. Het is een mooi meisje, uit een keurig gezin en heel slim. Een oud-leerlinge. Ze heeft ook mijn vak gestudeerd en geeft daar nu les in. De bloem staat haar heel goed. Niet alleen is zij een levend symbool van veranderende opvattingen, ze heeft mij een beetje met het tatoeëren verzoend. Ik ben er wat anders over gaan denken en vind het bij meisjes soms mooi, soms ook wel sexy, in plaats van ordinair. Ik zie haar af en toe, want zij is de schoondochter van een buurvrouw. Zo'n schoondochter, of dochter, zou ik ook wel willen, denk ik dan. Wel vraag ik mij af of zij haar tatoeage, als ze een verschrompeld besje van in de tachtig is, ook nog mooi vindt. Of gaat ze hem haten, zoals mijn grootvader deed? Ach, ik zal het niet meer meemaken en wie dan leeft, die dan zorgt.

De Victory, het vlaggeschip van lord Nelson, dat ik vanmorgen bezocht, is op verschillende manieren stoer. Het is een moord- en doodslagschip, dus allereerst stoer in de zin van heldenmoed en doodsverachting. Daar ben ik niet zo'n liefhebber van. Het is ook stoer in de zin van robuust. Een stevige knaap die met zijn eiken romp een flinke golf kan verdragen. De soepele vormen en decoraties maken het schip ook een beetje meisjesachtig stoer. Ik loop over de dekken, tussen de kanonnen, door de elegante admiraalshut. Ik ben niet ongevoelig voor wat schooljongensromantiek.

Na de Victory bezoek ik het museum van de Royal Navy, voor The Trafalgar Experience. Even ben ik kapitein Horatio Hornblower, maar ik vergat mijn mobiele telefoon uit te zetten. Ik hoor het gerinkel tussen het kanongebulder door en druk hem uit. Later bel ik het nummer terug. Iemand van de Nederlandse televisie. Of ik wat wil komen vertellen over de toestand in Griekenland. We spreken af dat hij mij morgen terugbelt, als hij echt niemand anders kan vinden. Ik wandel met stoere tred terug naar Rees Hall, om mijn bagage op te halen voor de terugreis naar de eenentwintigste eeuw.

©Kees Klok

Southampton, 14 augustus 2012


donderdag, augustus 23, 2012

Traditie


Tijdens de theepauze waait er een onaangename, kille tocht door het academiegebouw. Vandaag geen zeemist die de zomer wegdrukt, maar een omslag van het weer. Buiten regent het. Na vier dagen mooi weer lijkt het genoeg geweest. Ik loop ook niet voor niets alle dagen met een paraplu door Engeland. De bolhoed is even zeldzaam geworden als de Zeeuwse hoofdkap, maar het weer is, zoals in Nederland, op traditionele wijze wisselvallig.

Traditie. Een begrip waar ik mij ongemakkelijk bij voel. Tradities kunnen hun nut hebben, al was het maar uit oogpunt van vermaak. Geef het volk brood en spelen, anders gaat het onheil stichten. De Romeinen wisten dat al. Wij weten het nog steeds. Carnaval, popfestivals, de jaarlijkse met hoempapa omklede rommelmarkt die we koninginnedag noemen, voetbalkampioenschappen en de wereldvreemde gewoonte om op tweede paasdag naar een meubelboulevard te gaan. Allemaal traditie of daartoe bestempeld. Ik neem aan veel van dat jolijt geen deel, ik stel mij dan buiten de traditie, maar kan het wel billijken. Ik hoor niet tot de verbieders. Laat het carnaval maar stampen, alleen liever niet in mijn stamkroeg.

Traditie. Dat kan ook een systeem van knellende, verstikkende banden betekenen. Vooral als de traditie voortkomt uit een of andere godsdienst. Vrouwen die als spook over straat gaan, loerend door een spleetje en daar soms vrede mee hebben, omdat ze nu eenmaal zo zijn opgevoed. Mensen die zich op een bepaalde weekdag allerlei genot ontzeggen, omdat ze als kind zijn gehersenspoeld en geloven dat hun liefhebbende god zijn paradijs anders voor hen gesloten houdt. Wat dat verzinsel paradijs ook mag inhouden. Meisjes die worden gemarteld met wegsnijden van hun clitoris, jongens met wegsnijden van hun voorhuid (iets minder ingrijpend, maar toch), omdat ooit iemand ergens in een woestijn een opperwezen bedacht van wie dat moest. Zulke tradities vind ik kwalijk.

De Azteken, met hun dagelijkse mensenoffer, werden in het Europa van de zestiende eeuw gezien als huiveringwekkende barbaren. Tegelijkertijd werden er volop mensen verbrand omdat ze het verkeerde geloof hadden en zich daardoor buiten de traditie stelden. Of omdat zij zich onttrokken aan sommige knellende banden ervan. In bepaalde landen stenigen ze in onze eenentwintigste eeuw meisjes die seks voor het huwelijk hebben gehad, of die een keertje vreemd gingen. In Saoedi-Arabië werd eind vorig jaar een vrouw onthoofd wegens hekserij. De Saoedi's zijn Marsbewoners, maar met veel olie en geld. Daarom zijn het onze vrienden.

Ik wandel na afloop van het college door het centrum van Portsmouth en denk aan het British Empire, dat maar zeer ten dele succes had met het over de wereld verbreiden van de Engelse tradities. Vrijwel overal is de bolhoed uitgestorven. Ik passeer een manshoge reclameposter waarop: 'Party, music and sex on the beach.' Tradities kunnen verdwijnen, veranderen of worden uitgevonden. Een jaarlijks zomerfeest met seks op het strand, dat kan weinig kwaad. Als het maar niet regent.

©Kees Klok

Portsmouth, 14 augustus 2012


woensdag, augustus 22, 2012

Negentiende-eeuwers


Het is kwart over vijf in de ochtend als er een sms-bericht binnenkomt. De redactie van het Radio-1 Journaal. Of ik iets kan zeggen over een 'lynchpartij' in Athene. Ik weet van geen lynchpartij. Ik ben verzeild geraakt in de negentiende eeuw. Portsmouth in de negentiende eeuw. Bij de Historic Dockyard ligt de Victory afgemeerd en één van de forten om de stad heet fort Nelson. In de negentiende eeuw heb ik geen laptop en geen televisie. Wel mobiele telefoon. De negentiende eeuw kende telefoon, weliswaar niet mobiel, maar ik vind dat ik mag smokkelen. Ik stuur een bericht terug en trek het dekbed over mij heen. Boven Portsmouth wordt het licht. De zeemeeuwen beginnen zich te roeren.

Athene, met haar problemen, is ver weg. Laat maar, denk ik, als ik anderhalf uur later opsta. Ik ga douchen. Ik kan het niet laten, mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Even later stuur ik een sms naar Karla Boschma. Altijd diligent en op de hoogte. Het is even na acht uur in Nederland. De uitzending is al twee uur bezig. Ik ga vanuit de negentiende eeuw niets roepen, maar ik wel weten wat er aan de hand is. Per kerende sms krijg ik te horen dat vijf mannen een immigrant hebben vermoord. Triest en zorgwekkend. Racistisch geweld neemt toe in Griekenland, al komt het nog steeds relatief weinig voor. Ik keer terug naar de negentiende eeuw, een eeuw waarin racisme de vorm van imperialisme aannam. De eeuw van blank superioriteitsgevoel.

Een bus van de universiteit brengt ons naar het academiegebouw. Ik luister naar Alan Dilnot, die spreekt over Sketches by Boz. Een levendig college, maar nu en dan vallen mijn ogen dicht. Slaaptekort. Dat komt door de NOS, maar vooral door vijf griezelige negentiende-eeuwers in Athene.

©Kees Klok

Portsmouth, 13 augustus 2012


maandag, augustus 20, 2012

Tweeënveertig

Jane Austen was maar tweeënveertig toen ze stierf. Dat wist ik, maar ik realiseer het mij pas als ik een herdenkingsplaquette zie in de kerk van Steventon, Hampshire, waar haar vader en later haar broer predikant waren. Zij was misschien nog niet eens op haar hoogtepunt als schrijfster. Dat zullen we nooit weten. We zullen het moeten doen met het oeuvre dat ze naliet.

Ik heb een aantal jaren gestudeerd met P., MO-geschiedenis. Hij zou die studie, net als ik, afronden aan de universiteit. Er kwam een ellendige liefdesaffaire tussen en toen die achter de rug was, klopte de kanker aan. P. ging daar aan dood. Hij was een beter student dan ik. Hij zou ooit promoveren, dat stond voor mij vast. Ik moet daar aan denken als ik over het romantische, maar verwaarloosde kerkhof loop. Ik heb mij even losgemaakt van het reisgezelschap. Het is doodstil. In de verte zie ik twee ruiters, te ver weg om de paarden te horen. Ik denk aan Jane Austen en aan hoe enthousiast Stella over haar sprak met Andreas Pappas, die Emma in het Grieks vertaalde. Hij bezocht ons in Dordrecht. Ik heb zijn telefoonnummer en adres niet. Zijn e-mail werkt niet. Na vier en een half jaar heb ik hem nog niet van haar overlijden kunnen vertellen.

©Kees Klok

Portsmouth, 12 augustus 2012.



zaterdag, augustus 18, 2012

Geen antwoord


Wij bezoeken het graf van Ellen Ternan, op de Highland Road Cemetary in Portsmouth. We zijn met een buslading conferentiegangers. Een dubbeldekker. De groep baant zich een weg tussen en over graven in verschillende staten van verwaarlozing. Alsof de begraafplaats niet meer in gebruik is. Toch zie ik ergens tussen de omgevallen zerken een nieuw graf, meen ik, met verse bloemen. Later blijkt het uit 1930 te zijn, bruin graniet, kunstbloemen, misschien nog onderhouden door een zorgzame nazaat.

Het graf van Ellen Ternan is in goede staat. Het is niet zo lang geleden gerestaureerd op kosten van de afdeling Boulogne-sur-Mer van de Dickens Fellowship. Ellen Ternan heette later Ellen Wharton Robinson. Na het overlijden van Charles Dickens werd zij Mrs. Robinson. Daarvoor had ze dertien jaar een verhouding met Dickens. Een verhouding waar omheen nog steeds een mistsluier hangt. Een verhouding die zich in het Victoriaanse Engeland, met zijn benepen en hypocriete moraal, in het diepste geheim voltrok, volgens biografe Claire Tomalin. De reden zou zijn dat Dickens zijn reputatie als gentleman, waarvoor hij zijn leven lang hard werkte, niet in de waagschaal wilde stellen. Hij verbrandde daartoe bewijsmateriaal en richtte onder een valse naam, buiten Londen, een liefdesnestje in. Vreemd, want hij was ongehoord beroemd en beroemde lieden worden gemakkelijk herkend. Professor Tony Pointon is het niet met Tomalin eens. 'Iedere gentleman had in die tijd een maîtresse, daar werd geen aanstoot aangenomen,' zei hij in zijn lezing op de conferentie.

Dickens had wel meer vreemde dingen. Hij scheidde niet officieel van zijn vrouw Catherine, dat zou zijn reputatie schaden, maar wel van tafel en bed. Vervolgens kondigde hij dat publiekelijk aan, waarbij hij haar, volgens Tomalin, op beschamende wijze te schande zette. Ook daar is professor Pointon het niet mee eens. Die publieke aankondiging was vanwege de reactie van de schoonfamilie en Dickens zette helemaal niemand te schande, hij liet Catherine zelfs de scheidingsvoorwaarden opstellen, is zijn standpunt. Volgens Tomalin was het grootste verwijt dat Dickens haar maakte, dat zij veelvuldig zwanger werd (zij kregen tien kinderen), zonder zijn eigen rol daarbij in te zien. Ook dat bestrijdt Pointon, evenals Tomalins mededeling dat hij de kinderen bij Catherine weghaalde en haar de toegang tot zijn woning ontzegde. 'Allemaal bewuste kwaadsprekerij,' volgens Pointon. Dickens zou haar geen enkele beperking hebben opgelegd en het zou tekenend zijn dat geen van de kinderen Dickens bij haar wilde gaan wonen. Op een zoon na en dat onder druk van Dickens zelf. Het heeft mijn nieuwsgierigheid naar de bronnen gewekt, maar dan moet ik op zoek in Londen en daar heb ik voorlopig de tijd niet voor.

Mark Dickens, commander bij de Royal Navy, nazaat en vigerend president van de Dickens Fellowship, vertelt dat Ellen de verhouding met zijn betovergrootvader eveneens heeft verzwegen, ook na de dood van Dickens. Wel heeft ze ook daarna altijd vriendschappelijke banden met de familie onderhouden. Hij wijst op een foto in de biografie van Tomalin (Dickens. A Life. 2011), waarop enkele kleinkinderen van Dickens, waaronder zijn grootvader, op het strand spelen met de kinderen van Ternan. Tomalin schrijft niet alleen uitgebreid over de affaire in dit boek, dat deed ze eerder in haar biografie van Ellen (The Invisible Woman. 1990). Tomalin probeert veel aannemelijk te maken, zoals het bestaan van een kort na de geboorte gestorven zoontje, maar vrijwel altijd op grond van afgeleid bewijs.

Charles Dickens was vijfenveertig toen hij de achttienjarige Ellen leerde kennen. Ik vraag mij af hoe het moet zijn geweest voor die slimme, mooie en piepjonge actrice, om in de schaduw te gaan leven van de beroemdste schrijver van zijn tijd. Meer dan dat. Dickens had de status van een superster. Wat maakte het dat ze het tot zijn dood met hem volhield? Wat betekende dat voor haar? Hoe verhielden zij zich tot elkaar? We zullen het waarschijnlijk nooit precies weten. Ik kan mij niet voorstellen dat het boek over deze bewogen periode in het leven van Dickens, waaraan Michael Slater werkt (en dat binnenkort verschijnt) op deze vragen antwoord gaat geven.

©Kees Klok

Portsmouth, 11 augustus 2012


donderdag, augustus 16, 2012

Schrik en teleurstelling


Ik loop in de King's Road in Portsmouth. Het is zonnig zomerweer. Een meter of tien voor mij lopen twee opvallend aantrekkelijke meisjes van een jaar of zeventien. De leeftijd waarop je illusies nog vloeibaar zijn, nog geen vaste vorm hebben aangenomen. Het ene heeft lang rood, het andere iets korter, glanzend zwart haar. Ik moet aan W. en S. denken, deze zomer tweeënveertig jaar geleden. Ik aanbad ze allebei. W. beantwoordde dat gretig, S. schoorvoetend. Ik had een lichte voorkeur voor S., maar kon eigenlijk niet kiezen. Als W. niet ongesteld was geweest toen ik een weekeinde bij haar logeerde, een weekeinde waarin haar familie van huis was, zou zij het meisje zijn geworden waarmee ik het voor het eerst had gedaan. Als goedmaker mocht ik aan haar borsten zitten. Bij S. was er geen sprake van ergens aanzitten. Misschien ook omdat zij uit een streng katholieke familie kwam, die nog biechtte. Ik bleef die zomer langer dan normaal in Engeland. Dat kwam doordat je na je eindexamen werd beloond met een paar weken extra vakantie. Daarna schreef ik hen nog een tijdlang brieven. Tot S. verliefd werd op een wielrenner, waarmee zij al snel trouwde en ik een Dordts meisje leerde kennen dat mij inwijdde in het samenzijn. Moest ik W. daarover schrijven? Toen ik dat tenslotte deed, bleek zij al een tijd een ander vriendje te hebben. Ik ben S. en W. daarna uit het oog verloren.

De meisjes steken de straat over en verdwijnen om een hoek. Ik ga een pint halen in een nabije pub. Eentje met een terras, want ik wil mijn pijp roken. Engelsen hebben een obsessie met veiligheid en risico's. Overal hangen veiligheidscamera's, althans bordjes die beweren dat die camera's er zijn. Op een toilet in een universiteitsgebouw zag ik vanmorgen een grote affiche met een waarschuwing tegen meningitis. We werden dringend gemaand onze handen te wassen. Ondertussen eten ze te vet, bewegen ze te weinig en drinken zij zich te pletter in de korte avond dat de kroeg open is. Aan seksuele voorlichting in het onderwijs wordt niet gedaan, maar ze bedrijven er al enthousiast de liefde, of anders gaan ze massaal naar Salou of Torremolinos om zich uit te leven. Nee, lang niet allemaal, dat weet ik ook wel, en ik veroordeel niets, want als die twee meisjes van net om de hoek eens hadden willen kijken of het bij een man van zestig allemaal nog wel werkt, was het vlees misschien ook sterker geweest dan de geest. Ik verbaas mij alleen over die wonderlijke kloof tussen het obsessieve uit willen bannen van allerlei risico's die nu eenmaal bij het leven horen, en de dagelijkse praktijk. Je ziet dat in Griekenland ook: in iedere straat drie apotheken, maar een verkeersgedrag dat elk voorstellingsvermogen tart.

Wat zou er van W. en van S. zijn geworden? Zouden ze nog leven? Er zijn tegenwoordig allerlei mogelijkheden om oude geliefden te achterhalen. Er zijn zelfs televisieprogramma's voor, compleet met weerziens in tranen na avontuurlijke speurtochten. Stel je voor, je kop na veertig jaar op de buis, in niets meer lijkend op die van vroeger. Hoeveel mensen hebben omwille van de kijkcijfers de afgelopen jaren hun schrik en teleurstelling niet moeten verbergen?

©Kees Klok

Porstmouth, 10 augustus 2012


dinsdag, augustus 14, 2012

Onthuld


Ik zit op het ruime terras van The White Horse, Southsea Terrace, Portsmouth. Het is mooi zomerweer. Dat zie je aan de meisjes. Veel bloot, wat soms aangenaam oogt. Ik drink een pint Guiness en rook mijn pijp. Voor mij ligt een uitgestrekte common, zo'n vrijwel boomloos grasveld, waarop tot in de late middeleeuwen iedere able bodied man zich op zondag na kerktijd diende te bekwamen in het boogschieten. Zoiets heeft mijn neef Brian, ook historicus, mij eens verteld. Ik meen mij te herinneren dat hij ook gewag maakte van een oude wet die nog steeds geldig is en die bepaalt dat je op zondag verplicht naar de kerk moet. Op naleving van die wet wordt niet meer toegezien, wat maar goed is ook, want dan zou ik komende zondag de kans lopen om te worden gearresteerd. Aan de overzijde van de common ligt de boulevard en daarachter de zee. Een reusachtige veerboot stoomt het zeegat uit. Natuurlijk vaart hij op stookolie, maar toch stomen schepen nog altijd. Dertig jaar geleden stoomde de Engelse marine vanuit Portsmouth op naar de Falkland Eilanden. Hier in de buurt stond de toenmalige premier, mevrouw Thatcher. Zij zwaaide met haar handtas.

Het is zesentwintig graden. 'Terribly hot,' vond een mevrouw van de plaatselijke afdeling van de Dickens Fellowship. Als gedelegeerde van de Haarlem Branch ben ik hier om de tweehonderdste geboortedag van Charles Dickens te vieren. Hij werd in Portsmouth geboren. Zijn spilzuchtige vader hield de kas bij van de marine, maar hij lette minder op zijn eigen geldkist. Dat heeft van Dickens een groot schrijver gemaakt, menen sommige biografen. Vader deed hem twee jeugdtrauma's aan, die beslissend zouden zijn voor zijn schrijversloopbaan. Pa ging voor een korte tijd de bak in wegens schulden, dat was één, en de kleine Charles moest daardoor een paar maanden aan de slag in een schoensmeerfabriek. Belangrijke feiten, ik twijfel er niet aan, maar ik ken mensen met meer jeugdtrauma's, die nooit een fatsoenlijk verhaal uit hun pen kregen. Dickens was een geboren talent van een formaat dat zeldzaam is en waar weinig schrijvers een beetje bij in de buurt komen.

Aan de op de tafels en stoelen aangekoekte vogelstront kun je zien dat je in een stad aan zee bent. Meeuwenstront. De Engelsen zijn niet het properste volk op aarde, maar tegen zoveel meeuwen valt nauwelijks aan te poetsen. Iets prikt in mijn enkel. Ik zie een zwart plekje op mijn sok, waar ik werktuiglijk in knijp. Het plekje wordt rood. Ik heb een vlo in actie doodgeknepen. Vlooien. Tegenwoordig vind je die toch alleen nog bij honden en katten? Die doe je dan een bandje met gif om en klaar is Kees. In de tijd van Dickens was de vlo een niet weg te denken huisgenoot. Wij kunnen ons dat nauwelijks meer voorstellen, maar Dickens zou zich op zijn beurt al die vergaand ontblote meisjes op de common niet kunnen voorstellen. Ik ben wel voor de negentiende eeuw, maar ik heb ook mijn bedenkingen: wel vlooien en geen onthulde meisjes. Liever heb ik dan die veel minder preutse achttiende eeuw, waarin James Boswell zo'n fraai London Journal bijhield.

©Kees Klok

Portsmouth, 9 augustus 2012

maandag, augustus 06, 2012

'No sports'


Churchill kan dan wel 'no sports' hebben geantwoord op de vraag hoe het kon dat hij ondanks al dat whisky drinken en sigaren roken zo oud was geworden, maar ik houd wel van een flinke wandeling. Op weg naar het stamcafé loop ik daarom weleens een blokje om. Gisteren liep ik over de Groenedijk, langs het Merwesteijnpark, in de richting van mijn oude middelbare school. Het was een milde zomerdag, al dreigde er nu en dan een bui, maar ik moest denken aan de winter. Er was niet veel vorst nodig om de ondiepe sloot langs de dijk te laten bevriezen. Met een beetje winter werd er geschaatst. Als de dooi inviel, gingen we in de pauze schotsjewiebelen. Stoerdoenerij en waaghalzerij boven een meter water. En modder vooral. Op een keer wilde mijn maatje Lupius iets te veel indruk op de meisjes maken. Hij ging door het ijs en droop vanaf de schaamstreek kletsnat en modderig af richting school, om ons even later op de fiets voorbij te stuiven, op weg naar droge en niet naar blubber stinkende kleren. Dat werd weer een vrije woensdagmiddag voor straf terugkomen.

Aan dat schotsjewiebelen deed ik soms nog wel mee, maar ik heb nooit veel opgehad met sportief wintervertier. Van al het zenuwlijdersgedoe rond de elfstedentocht, zodra er een nachtvorstje dreigt, begrijp ik niets. Ik schaatste weleens met vriendjes, maar veel heb ik er nooit aan gevonden. Op ski's heb ik nooit gestaan. Je een berg op laten hijsen om er vervolgens weer hard op twee latten af te glijden, vind ik een zinloze en gevaarlijke tijdverspilling. Stella dacht er anders over. Die deed het graag. Daarom bevonden wij ons vroeger weleens in een Grieks wintersportoord (jazeker, die bestaan). Stella op de ski's en ik met een boek en een fles wijn bij de open haard van de plaatselijke wintersportvereniging.

Uiteindelijk kwam ik op het Groothoofd terecht. Mooie plek voor een korte tussenstop om even over de rivier te staren. Over het brede water waar Beneden-Merwede, Oude Maas en Noord elkaar kruisen. Vanaf het terras van hotel Bellevue, vanwege de aardige bediening. De wolken begonnen er steeds dreigender uit te zien, er leek een zomerstorm nakende, maar nog even was het vrijwel windstil. Nog even bleven mijn gedachten bij de winter. In 1963, ik was twaalf, hadden we de strengste winter die ik mij kan herinneren. Heel die watervlakte was bevroren. Je kon met de auto oversteken van Dordt naar Zwijndrecht. Er zal toen ook wel zijn geschaatst op de rivier. Ik herinner mij dat niet. Door mij in ieder geval niet. Als wij schaatsten deden we dat dichter bij huis, op de Vriesehaven. Daar lagen toen nog woonarken en je kon er patat halen bij de kraam van Bart de Groot. Een enkele keer gingen we naar de officiële ijsbaan, in de inmiddels volgebouwde Windhondenpolder. Levensgevaarlijk vanwege de nietsontziende hardrijders.

Er stuiven een paar speedboten langs. Zo hard mogelijk varen, ook daar begrijp ik de lol niet van. Het genot van varen schuilt voor mij in het kalm over het water glijden en genieten van wat je ziet. Genieten is ook op een mooie dag rustig door de polder fietsen, in plaats van voortstuiven in zo'n zot wielrennerspak en met zo'n lachwekkend, gekleurd ei op je kop jezelf en andere fietsers in gevaar brengen. Ik kan uren wandelen, in mijn natuurlijke tempo. Marathonlopers vind ik malle masochisten op weg naar een hartvergroting. Ik ben nog onveranderd de man van de stoomtrein en niet van de HSL. Ik reken af en loop verder richting stamkroeg, terwijl in mijn hoofd het lied 'Hoe zachtkens glijdt ons bootje, al over het spieglend meer' opkomt. 


vrijdag, augustus 03, 2012

Voorstelling


Ik heb de natuur weer even onder controle. Toen ik terugkwam uit Griekenland was de tuin veranderd in een oerwoud. Vooral het zevenblad tierde welig, maar na een geslaagd offensief is er geen spoor meer van te bekennen. Alle zichtbare delen zijn weggeschoffeld, opgeharkt en daarna bedekt onder een laag verse tuinaarde. Operatie geslaagd. Dat het onder de grond stikt van de wortels, waaruit binnenkort volop nieuw onkruid omhoog zal schieten, daaraan denk ik nog even niet. Tevreden loop ik rond. Even tevreden als de regering over de resultaten van 'onze jongens' in Afghanistan. Ik schrijf bewust 'onze jongens,' want de gedachte aan meisjes in een uniform van het leger of de politie, roept bij mij diepe moedeloosheid op. C., het mooiste meisje van de klas, wilde bij de politie. Ik vond dat dat niet hoorde. Zij hoorde bij mij in bed, uit dankbaarheid dat ik haar ternauwernood uit een brandend gebouw had gered. Ik hoorde te redden, niet zij, in dat politiepak. Ik was veertien en te verlegen om haar aan te spreken. Een kenmerk van de vreselijke gesteldheid die pubertijd wordt genoemd. C. is later ook werkelijk agente is geworden, maar niet hier ter stede. Dat heeft mij heel wat zuchten bespaard.

Terwijl ik in de tuin voor god speelde, slachtten ze elkaar in Syrië af in een burgeroorlog waarin alleen maar foute partijen een rol spelen. De ene nog wreder en kwalijker dan de andere. Ik Afrika stak het ebola-virus weer de kop op en in de VS schoot de zoveelste losgeslagen idioot een heleboel mensen dood. In Griekenland werd de burgemeester van Corinthe door een groep nazi's gemolesteerd en af en toe vond iemand een naald in een vliegtuigmaaltijd. Ik schoffelde en harkte, onder het toeziend oog van de tuinkabouter. Om drie uur 's middags was het genoeg. Dan ging ik douchen, een wandeling maken en een borrel drinken op het terras van poffertjessalon Visser. Iedere dag, vaste prik, behalve op maandag, want dan is Visser gesloten.

Ik heb C. nooit in haar politiepak gezien. Toen ze bij mij in de klas zat, woonde ze bij mijn vriend en klasgenoot Lupius om de hoek. Soms hingen wij op mooie avonden rond op die hoek, met uitzicht op het raam van C. Op een keer ging het licht aan. C. begon zich nietsvermoedend uit te kleden. Even later stond zij naakt met een nachtponnetje in haar handen, maar ik was nog steeds veertien en je gaat niet met een paarse kop van opwinding ergens aanbellen om te zeggen dat iemand heeft vergeten een gordijn te sluiten. Daar kwam ze al snel zelf achter. Ze trok het gordijn dicht, de voorstelling was voorbij. In de buurt zat een merel te fluiten. Die deed alsof er niets was gebeurd.